HET BEELD: ARNE SIERENS

‘The Park’ (1971-1973)
Kohei Yoshiyuki 

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: theatermaker Arne Sierens. 

‘Ik kijk graag naar foto’s waar mensen op staan. Niet naar klassieke portretten, maar naar beelden van mensen die betrapt worden. Gepakt door de fotograaf. En daar is de Japanner Kohei Yoshiyuki een meester in. Voor deze reeks, The park, liep hij begin jaren 70 ’s nachts rond in parken in Tokio en fotografeerde daar koppels die in de bosjes aan het neuken waren. Op sommige foto’s zie je niet de koppels zelf, maar de voyeurs. Dan zie je een paar mensen op een rijtje voorovergebogen door de struiken gluren. Fantastisch.’
‘Zelf is hij natuurlijk ook voyeur. En wij als kijker ook. Het is iets wat we allemaal wel tof vinden, kijken naar anderen. Dat hoeft niet eens verborgen te zijn, of in het donker. Gewoon overdag en terwijl anderen jou ook zien, kan even boeiend zijn. Ik vind het zelf bijvoorbeeld heel inspirerend om in de tram of in de winkel te kijken naar hoe andere mensen zich gedragen, of te luisteren naar wat ze zeggen. Als theatermaker is dat dikwijls voedend. Vooral wat mensen met hun lichaam zeggen, vind ik interessant. Wanneer je aan de manier waarop iemand gebogen staat al ziet dat hij angstig is van aard. Soms ben ik weken aan het werken met een acteur rond hoe dat lijf precies op het podium moet staan. Ik noem mijn acteurs ­altijd atleten van het hart. Soms zegt de houding van een hand of de manier waarop knieën buigen meer dan een zin die uitgesproken wordt.’
‘Dat is ook exact wat mij in deze foto raakt. Die houdingen en de details. De kuit van die vrouw die zich opspant. Haar sacoche die daar nog op dat bankje staat. Die grote witte onderbroek. Yoshiyuki toont hier de mens zoals hij is. Alle maskers vallen af. Ongenadig is het. En toch zo ontroerend. Die vrouw zit daar zo goed als in haar bloot gat en toch gaat het hier niet over seks en louter lichamelijkheid. Zelfs de foto’s waarop je het mensen echt ziet doen met elkaar, hebben niets met pornografie te maken. Het blijft draaien om de liefde die twee mensen voor elkaar kunnen voelen. Over hoe we altijd weer op zoek gaan naar de ander. De paradox die in deze en de andere foto’s uit de serie zit, dat voyeurisme enerzijds en anderzijds dat hele pure en liefdevolle van de mens, heb ik nog bij geen enkele andere fotograaf zo treffend ervaren.’
‘De foto is ook technisch zeer sterk. Omdat hij ­deze beelden ’s nachts nam en vanop afstand, gebruikte hij een soort infraroodflash en een gigantische telelens. Alle beelden in deze reeks zijn in zwart-wit. Het effect is ongelooflijk: uit die zwarte nacht doemen witte aan elkaar friemelende mannen en vrouwen op. Het zijn net verlichte engelen.’

Verschenen in De Standaard (16 september 2017).

POSTEN.

In mijn nieuwe vaste sigarettenwinkel koop ik twee postzegels en een koek. De vrouw achter de toog vraagt of ze de postzegels al op mijn brief mag kleven. Ik zeg dat het mag. Ik wil vriendelijk zijn voor mijn nieuwe buren. Zeker voor de buren die sigaretten, postzegels en koeken in huis hebben. Achter me staat een man met twee blikjes bier in zijn handen. In deze sigarettenwinkel kan je ook bier kopen. Hij roept naar de vrouw achter de toog dat hij morgen komt betalen en loopt naar buiten.
De vrouw achter de toog van mijn nieuwe vaste sigarettenwinkel vraagt waar ik mijn brieven post. Wanneer ik haar naar waarheid antwoord, schudt ze heftig met haar hoofd. Ze zegt dat de brievenbus waar ik mijn brieven in post door dronken mensen wordt gebruikt om in over te geven en hamburgers waar ze geen zin meer in hebben in weg te gooien. Ze tipt me een andere brievenbus. Daarna vraagt ze of ik ook haar brief daar wil posten. Ik zeg van wel. Qua vriendelijk zijn voor mijn nieuwe buren ben ik een echte volhouder. Ik vraag aan de vrouw of ik ook morgen mag betalen. Het mag niet.
Ik post mijn brief in de brievenbus waar niet in overgegeven wordt. Daarna loop ik naar de frituur, koop een hamburger, kauw de hamburger in mijn mond tot pap en wrijf de brief van de vrouw die mijn nieuwe vaste sigarettenwinkel uitbaat in met de pap. Ik post de brief in de brievenbus waar mijn eigen brief bijna in was terechtgekomen.

OMGEKEERD.

Staand op mijn hoofd in de hoek van de woonkamer vraag ik me af of ik niet eens op zoek moet naar echt werk. Mijn hielen leunen tegen de muur. Ik heb geen zwaartepunt. Ik heb de muren nodig, ook al staan die vol plekken. Wanneer ik op mijn hoofd in de hoek van de woonkamer sta verdwijnen de plekken niet.
Elke dag zit ik in mijn huis. Af en toe praat ik in mijn telefoon of tegen de cactus. Van wat zij tegen me terugzeggen maak ik stukjes tekst. Af en toe spuug ik uit het raam. Af en toe ga ik op mijn hoofd staan. Af en toe probeer ik omgekeerd een kiwi te eten of een glas cava te drinken. Een paar flessen cava en een kiwi of vijf is wat ik verdien met praten en daar stukjes tekst van maken.
Ik sta op mijn hoofd. Ik sta omgekeerd. Ik wil echt werk. Ik wil staken. Biobananen.
Ik hoop dat dit stukje leesraab is. Ik schrijf het omgekeerd. Mijn hoofd begint te gloeien. Iemand gooit een radijs door mijn raam.

HET BEELD: ALICJA GESCINSKA

‘Untitled’ (1978)
Zdzislaw Beksiński

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: filosofe Alicja Gescinska.

‘Bij mijn nonkel, een Poolse priester, hing tussen heel wat religieuze schilderijen ook een replica van een werk van Beksińnski. Als kind zat ik er hele namiddagen naar te kijken. Het sprak tot mijn verbeelding, greep mij vast. Later ontdekte ik ook zijn ander werk. Allemaal in diezelfde stijl: fantastisch surrealisme noemen ze het. Ik heb nooit eerder iets gezien dat zo luguber en macaber is en tegelijkertijd zo diepmenselijk en vertederend. Zo afstotend en toch zo troostend.’
‘Dit werk is net als vele van zijn schilderijen ongetiteld. Een titel geeft richting. Een werk als dit kan alle richtingen uit. Je kan er als kijker zo veel in zien. Daar laat hij je vrij in. Op dit schilderij zie je skeletten in kleine groepjes op hoge rotsblokken rond een vuurtje zitten. Op sommige rotsen zitten geen geraamtes en is het vuur gedoofd. Iedereen ziet iedereen zitten, maar niemand kan naar elkaar toe. Iedereen zit in zijn eigen groepje, op zijn eigen eilandje. Eenzaam, geïsoleerd. En allemaal weten ze: ooit dooft ook ons vuur. In het echte leven is het net zo. We zitten in onze eigen wereld, de wereld die we kennen, en hebben de illusie dat we alle anderen en hun wereld ook kennen. Zeker nu, met al die sociale media, lijkt de wereld kleiner. Maar heel wat anderen zijn en blijven onbereikbaar, je zal hen nooit ontmoeten. Tegelijkertijd weten we allemaal van elkaar dat ons hetzelfde lot wacht. Dat we allemaal gaan sterven. Net omdat sterfelijkheid niet alleen jou treft maar ook alle anderen, wordt het iets draaglijks. Daarin zit de troost. Je ziet op het schilderij dat de vuurspikkels doorlopen tot in de horizon. Tot in de oneindigheid: het zal altijd zo zijn. Het is een heel poëtisch schilderij. Dat zijn al zijn werken voor mij. Het zijn gedichten, geschilderd op een doek.’
‘Beksińnski werd in 2005 vermoord. Hij schreef die dag nog iets in zijn dagboek. Hij schreef dat hij slecht sliep omdat hij de dag voordien te veel had gegeten. Dat hij met hoofdpijn was opgestaan, maar toch hoopte zijn schilderij vandaag af te werken. Een paar uur later zat zijn lichaam vol messteken. Wat hij in dit werk wil vertellen, overkwam hem die dag. En het zal ons allemaal overkomen. We staan op, maken plannen voor de dag die komt, maar staan er niet bij stil dat het ook de dood kan zijn die komt.’
‘Zie je hoe één geraamte op de voorgrond naar ons kijkt? Dat vind ik heel aangrijpend. Hij houdt je een spiegel voor. Hij zegt bijna: en jij? Zit jij hier zelf ook niet, op jouw eigen eilandje, jezelf op te warmen tot het vuur uiteindelijk onvermijdelijk uitgaat?’

Verschenen in De Standaard (9 september 2017).

EXTRA.

Voorbij mijn huis lopen tieners met koffiekoeken. Eentje roept dat hij volgende week een rottweiler krijgt. De ramen in mijn nieuwe huis hebben enkel glas. Het is twee over tien. In mijn tijd begon de school om halfnegen, ik ging meestal tegen elven. Ik zat op een kunstschool. Verbrak je daar de regels, dan kreeg je extra punten. Ik studeerde af met grote onderscheiding. Daarna ging alles mis. Ik heb nooit een rottweiler gehad en geld voor een bed in mijn nieuwe huis heb ik ook niet. Van mijn ouders kon ik een bed lenen. Ik kon kiezen tussen de matras waarop ik werd verwekt of de matras waar mijn oma op sliep vlak voor ze doodging. Ik slaap op de grond. Ik eet een koffiekoek aan mijn tafel. Ik betaalde de koffiekoek met mijn bankkaart. Het kostte me dertig cent extra.

HET BEELD: MARNIX PEETERS

‘Finis gloriae mundi’ (1672)
Juan De Valdés Leal

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: schrijver Marnix Peeters.

‘Een jaar of tien geleden werkte ik als roadie van Bruce Springsteen tijdens zijn Europese tournee. We hadden het podium afgebroken in Turijn en trokken naar Sevilla. Ik heb de gewoonte om van elke stad die ik bezoek een reisgids te kopen, daar een prentje in te zoeken en dat na te tekenen. Daarna wil ik wat ik heb nagetekend ook echt gaan bekijken. Ik kan het iedereen aanraden. Het is een fantastische en bevreemdend intense manier om een stad en haar kunstwerken te ontdekken en beleven. Ik ontdekte dit werk dus toevallig. Met mijn nagetekende en niet al te geslaagde potloodversie stond ik in dat zaaltje van het museum, een voormalig ziekenhuis, ineens naar het echte werk te kijken.’
‘Ik heb een zwak voor vanitasschilderijen waar de memento mori-gedachte in naar voren komt : “denk eraan dat je sterfelijk bent”. Wij mensen hebben de neiging om ons angstvallig af te sluiten voor alles wat met doodgaan te maken heeft. We zijn er bang voor. Ik heb de dood en onze sterfelijkheid net altijd iets aantrekkelijks gevonden. Als kind verzamelde ik schedels, vooral van vogels. Ik begroef ook katten en honden, dode natuurlijk, en groef ze later weer op. Voor de schedels. Ze waren en zijn nog altijd een soort fascinatie. Ik vind weten dat we zullen doodgaan een verrijking van het leven. “We zijn bijna dood”, is mijn lijfspreuk. Maar er staat wel een bedenking achter. “Dus zorg dat je nu leeft”.’
‘Mooi in dit schilderij is dat er naast die dode bisschop ook een dode ridder ligt. Je ziet hem niet zo goed, maar hij ligt er wel. En ze zijn aangekleed. Aangekleed! Aangeklede geraamtes vind ik helemaal het einde. Maar wat ik vooral uit dit werk haal en waar ik het ook helemaal mee eens ben, is dat het inderdaad niet uitmaakt wie of wat je bent, welke functie je hebt gehad of in welke zo­genaamde klasse je hebt geleefd. Dood ga je toch. Je moet dus niet denken dat je meer waard bent dan een ander. En je vooral geen illusies maken. Ja, het is maar dit. En ja, voor je het weet is het alweer gedaan.’
‘Pas op, ik dweep niet met sterven in die zin dat ik constant naar Joy Division en Morrissey luister. Ik begrijp alleen niet waarom veel mensen een obsessie hebben voor een zo lang mogelijk leven. Mocht ik de keuze krijgen om eeuwig te leven, ik zeg meteen nee. Als iets niet eindigt, wat is het dan nog waard? Iedereen zou de hele dag in zijn bed blijven liggen. Het zou proper zijn. Daar denk ik aan als ik mijn simpele nagetekende kleurpotloodtekening van dit schilderij zie staan, in een kadertje in mijn vitrinekast.’

Verschenen in De Standaard (2 september 2017).

PAKJE.

De postbode heeft lenzen gebracht. Ik zag al dagen niks meer. Nu zie ik weer. Ik bestel mijn zicht op internet. Wanneer ik ooit nog armer ben dan ik nu ben, zal ik eerst besparen op fruit, daarna op vuilzakken en pas daarna op internet. Ik doe mijn laptop open. Ik kan mijn e-mails weer lezen. Ik heb een e-mail van de postdienst. Vandaag wordt er een pakje geleverd.

ONTWAKEN.

Ik word wakker. Die gebeurtenis overkomt me dagelijks. Mijn ogen gaan niet open. Ik zie een kat met schapenvacht. Een opgedroogde dweil. Een blote neger in een rolstoel. Ik denk godverdomme. Daarna denk ik niets meer.

CHATVRIEND.

Een vriend van me zegt dat hij geen vrienden heeft. Wanneer hij zich alleen voelt chat hij met mensen die op de helpdesks van webwinkels werken. Hij zegt dat de virtuele assistent van bol punt com een van zijn favoriete chatvrienden is. Hij is erg altruïstisch en vraagt de hele tijd waarmee hij je van dienst kan zijn, ook als je hem vraagt hoe het eigenlijk met hem gaat. Mijn vriend vroeg de virtuele assistent van bol punt com eens waarom hij een rechthoekig gezicht heeft. De virtuele assistent vroeg mijn vriend waarmee hij hem van dienst kon zijn.

NAGELBIJTER.

Traag eet ik me op.