BEESTEN.

Soms staar ik. Naar een wit blad papier, een volle asbak, een zwart scherm, een lege bak bier, de rode puntjes op mijn schenen. Mijn huid reageert slecht op scheermesjes, de wereld reageert nog slechter op beenhaar. Net als mannen zijn vrouwen beesten, maar dan zonder vacht. Wij vrouwen wij ontbeesten onszelf.
Naast mezelf ben ik in het bezit van nog een ander beest. Een vrouwelijk konijn. Ik behandel haar als een mens. Ze kreeg een mensennaam, ze gaat slapen, ze staat op, samen drinken we wijn en kletsen wat af. Daarna werken wij. Zij aan een nest voor kinderen die ze nooit zal krijgen, ik aan stukjes tekst over de beesten die wij beiden zijn.
Vandaag staar ik naar een zwart scherm. Na tien minuten heb ik genoeg gestaard, dat staat zo ingesteld. Dan verschijnen op het scherm pinguins, daarna tijgers en dan vlinders. Er zijn beesten met vacht en beesten zonder vacht.

VERKOELING.

De temperatuur van het zeewater bedraagt nu ongeveer dertien graden. De afstandsbediening van de televisie zit klem in de spleet van de zetel, maar dat weet ik nog niet. Omdat ik niet kan zappen krijg ik informatie over de zeewatertemperatuur in deze tijd van het jaar. Deze tijd van het jaar is nu.
Op moderne televisies kan je niet meer zappen zonder afstandsbediening. Vroeger moest je rechtstaan om niet te weten te komen hoeveel graden het is in zee. De kuststeden maken zich op voor zonnekloppers. Het wordt een prachtig weekend.
Ik vind de afstandsbediening en ook een gele M&M. Ik steek de afstandsbediening in mijn mond en gooi de gele M&M naar de televisie. Die zegt: de zee is nog niet opgewarmd. En ook: het is niet erg, we zoeken net verkoeling. Daarna valt hij uit.

STELLING.

Werkmannen renoveren een huis in mijn straat. Bij de Turk hoorde ik zeggen dat een gepensioneerd stel het huis kocht en te lui is om zelf het dak op te kruipen. Bij de Turk wordt veel geroddeld. Daarom en omwille van het vakantiegevoel gaan we er allemaal minstens een keer per dag heen.
Met zijn drieën staan de werkmannen op een stelling. Ze luisteren onder het renoveren naar de radio. Wanneer ik een sigaret rook op mijn terras krijg ik daar gratis muziek bij. Zelf vrees ik hoogtes, ook met liedjes erbij. Mijn terras ligt gelukkig op de begane grond. Wanneer ik op een bepaalde plaats op mijn terras ga staan, zie ik de werkmannen op de stelling het huis renoveren. Als ze willen kunnen de werkmannen mij daar ook zien staan. Ze hebben het nog niet gewild.
Zonet zat ik op mijn terras te roken en mijn konijn te aaien. Gehurkt. Mijn konijn is immers kleiner dan ik. Ineens klonk van boven op de stelling: I want you back! In my life! De stem van Natalia, nochtans niet de meest bedeesde, kwam niet boven die van de drie werkmannen uit. Nog steeds gehurkt waggelde ik naar die ene plaats op mijn terras. Ik keek op. De drie werkmannen stonden op het bovenste platform van de stelling, met hun gezichten naar de gevel. Ze hielden hun armen om elkaars schouders. I still miss you! I want you back!
Straks loop ik nog even naar de Turk. Ik heb een gele paprika nodig.

HEELAL.

In het café waar ik zit zijn nog mensen. Er zitten mensen die ik nog nooit heb gezien. Zij zitten ook overdag op café. Vroeger dronk ik enkel ’s morgens koffie. Elke dag kom ik mensen tegen die ik nog nooit heb gezien. In het heelal is veel plaats. Aan een tafel in de hoek zitten mensen die ik vroeger kende en nu niet meer. We gingen in dezelfde stad wonen, maar op een andere planeet.

BAASJE.

Vaak ben ik zo lui dat ik wilde dat ik een baas had. Of een bazin. Het geslacht maakt niet uit, als het me maar zegt wat ik moet doen. Niemand zegt mij wat ik moet doen. Daar word ik twijfelachtig van. Twijfelen maakt een mens lui omdat het een mogelijkheid is. Iemand kan het eindeloos doen. Tot iemand anders zegt wat je moet doen. Een baas bijvoorbeeld. Of een bazin. Het geslacht maakt niet uit. Luiheid dwingt tot herhaling.
Bij de bakker staat een jongetje voor me. Hij kijkt naar de koffiekoeken. Zijn mond hangt een beetje open. De bakker vraagt wat hij graag wil. Het jongetje twijfelt. Hij kijkt naar mij. Ik zeg dat hij een rozijnenkoek moet kiezen en een croissant met amandelnoten. Ik vraag hem wat ik moet doen. Wat moet ik doen? Zeg mij wat ik moet doen. Het jongetje wijst naar de chocolade eitjes naast de kassa en roept luid surprise. Onderweg naar huis eet ik het chocolade eitje op en maak het gele tonnetje binnenin open. Er zit een baasje in. Of een bazinnetje. Het is klein en geslachtsloos, maar het zal me zeggen wat ik moet doen.
Een paar dagen later zie ik het jongetje terug. Hij zit op een bank met een boek. Zijn benen bungelen en op zijn lippen zit gesmolten chocolade. Ik wil naast hem gaan zitten en hem vragen wat hij leest, maar mijn baasje zegt dat ik moet doorlopen.

COLUMN: ZAK

Ik adem tegenwoordig meer in een papieren zak dan niet in een papieren zak. Ik heb dat nu ook altijd bij, een papieren zak. Gekregen van een vriendin die de zak op haar beurt kreeg van haar moeder. Mijn vriendin durft daags na het drinken weleens over te geven in de auto. Zonder zak maakt dat vieze plekken. En het is ook geen gezicht. De zak is gelukkig nog niet door haar gebruikt, dus kan ik er in ademen. In en uit, in en uit. Het is overal iets. Gelukkig zijn er zakken.

Ik doe veel dingen mis. Ademen doe ik nu ook al verkeerd. Wie zou nu denken dat een mens iets dat zo simpel en basaal is als ademen verkeerd kan doen. Dat is in feite het toppunt van verkeerdheid: compleet de mist ingaan met iets waar je niet eens over hoeft na te denken. Alsof je op een dag wakker zou worden en ineens scheel zou kijken. Gans verkeerd. Ik ben blij dat ik dat niet voorheb. Dat is dubbel zo erg.
Eerst dacht ik dat ik een hartaanval kreeg. Op zich was ik bereid te sterven, daar niet van, maar ik dacht de ganse tijd: hoe belachelijk is dit, een hartaanval op dertig jaar. Ze gaan zeker een autopsie doen, want dat is toch niet normaal, een hartaanval op dertig jaar. En als ze een autopsie doen, wat gaan ze dan niet allemaal vinden in mijn lijf? Al die drank. Al die sigaretten. Al die pizza’s. Zo erg. Ze gaan toch wel zien dat ik ook al eens gaan joggen ben en af en toe ook boontjes en komkommers eet? Zo erg voor mijn ouders. Zij gaan zich schamen voor mij en nog meer voor mijn dood.
Maar ik bleef dus leven. En ik ontdekte de zak.

Onlangs ging ik met een groep vrouwen en een zak in mijn sacoche op vrijgezellenweekend. Eén van mijn vriendinnen, niet die van de overgeefzak, gaat namelijk trouwen. Om haar geloof in de liefde te vieren, wilde ze graag een stripper. Een van de vrouwen die het vrijgezellenweekend organiseerde surfte op haar werk naar stripperhuren punt be.  Ik denk stiekem. Ze boekte een donkere man, zijn naam was El Grande. Toen hij de kamer binnenkwam, werd duidelijk waarom. Het was inderdaad een vrij grote man. Maar te donker om van Spanje te komen, vond ik. Misschien was hij geadopteerd. We kregen niet eens de kans om dat te vragen. El Grande zette een muziekje op en begon zich uit te kleden. Wat daar onder zijn boxershort zat te spannen, was van een ongezien formaat. Het topje kwam bijna onder de short uit piepen. El Grande deed de boxershort uit en wij hapten allemaal naar adem. Niet verkeerd. De zak van El Grande bungelde voor onze ogen, maar mijn zak bleef in mijn sacoche.

Die mens kan daar ook niet aan doen. Een lijf is een lijf. Je kan het niet kiezen en ook niet commanderen. Anders was dat hele kankergedoe ook al opgelost geweest. Gepardonneerd, vieze vuile celletjes, zouden jullie wel eens willen maken dat jullie wegkomen? En dat de kanker dan samen met je kaka je lichaam verlaat. Hupla, die kanker is ook weer doorgespoeld. Maar ja, zo werkt dat niet. Een lijf doet wat het wil. Als het je ziek wil maken, maakt het je ziek. Als er een gigantisch geslachtsorgaan aanhangt, dan hangt er een gigantisch geslachtsorgaan aan. En als het ineens beslist om vanaf vandaag verkeerd te beginnen ademen, dan begint het vanaf vandaag verkeerd te ademen. Door stress, paniek of angst. Dat zei die dokter tegen mij. Ik zei, dokter, ik zit de hele dag in mijn huis met mijn pyjamabroek aan en ik typ tekstjes. Echt superstresserend is het niet. Blijft over: paniek of angst. Ik zou niet weten door wat of van wat. Als het buitenproportionele geslachtsdeel van een stripper me niet verkeerd doet ademen, wat dan in godsnaam wel?

Misschien kom ik er nooit achter. Misschien begint mijn lijf op een dag vanzelf weer juist te ademen. We zullen het merken. In de tussentijd is er altijd nog de zak.

Joke Van Caesbroeck is freelancejournaliste, dertig en van de vrouwelijke soort. Om de veertien dagen kunt u een column lang meekijken in haar hoofd. Daar is het soms gezellig, maar meestal niet.

Verschenen op P-magazine.be (15 mei 2017).

‘MENSEN SPRINGEN EEN GAT IN DE LUCHT ALS ZE MIJ ZIEN’

Je bent op reis en wordt plots ziek, of je krijgt een ongeval. Dan wil je maar op één plaats zijn: thuis. De repatriërings­verpleegkundige begeleidt patiënten tijdens de terugreis en komt zo overal ter wereld. ‘Met sommige patiënten houd ik achteraf contact via Facebook.’

‘Al 32 jaar werk ik als verpleegkundige in een ziekenhuis, op de afdeling intensieve zorgen. Zeven jaar geleden ging ik halftijds werken en begon ik als zelfstandig repatriëringsverpleegkundige te werken voor verscheidene verzekeringsmaatschappijen. Achteraf bekeken wilde ik dat ik er al vroeger mee begonnen was. Het is zwaar werk, maar ook heel dankbaar. Mensen springen vaak een gat in de lucht als ze mij zien, ondanks de ellende waarin ze op dat moment zitten. Meestal ben ik de eerste persoon die ze zien aan wie ze in hun eigen taal kunnen vertellen wat hen is overkomen. Dat doet deugd, natuurlijk. Ik maak bij een eerste bezoek in het ziekenhuis altijd genoeg tijd voor een goed gesprek. Daarna pas volgen de concrete afspraken.’

‘Benidorm en Tenerife zijn populaire bestemmingen voor mij. Daar verblijven veel gepensioneerden, die nu eenmaal vatbaarder zijn voor een infarct of al sneller eens uitglijden in de badkamer. Maar eigenlijk kom ik overal. Ik heb bijna de hele wereld gezien. Meestal word ik een dag, maximaal twee dagen op voorhand opgeroepen. Het is dus dikwijls nogal halsoverkop vertrekken. Maar de kinderen zijn het huis uit en mijn vrouw staat helemaal achter mij en mijn werk.’

Facebookvrienden
‘Onlangs repatrieerde ik een man van Colombia naar Nederland. Hij gaat elk jaar op vakantie in Colombia, maar is daar dit jaar helemaal gecrasht met een bipolaire stoornis. Eenmaal terug thuis bleek dat hij helemaal geen familie had en uit geen enkele hoek steun kreeg. Naar die man heb ik achteraf nog een paar keer gebeld, gewoon om te vragen hoe het met hem ging. Hij had daar heel veel aan, mij kostte het geen moeite.’

‘Benidorm en Tenerife zijn populaire bestemmingen voor mij. Daar verblijven veel gepensioneerden, die al eens sneller uitglijden in de badkamer’

‘Ik bepaal zelf of ik achteraf contact houd met mensen. Zo bracht ik eens een Indonesische vrouw die in België woont terug, nadat ze daar op een trouwfeest een herseninfarct had gekregen. Ze nodigde me achteraf uit om iets te komen eten. Met haar familie in Indonesië heb ik nog altijd contact via Facebook.’
‘Die dankbaarheid van mensen geeft veel voldoening, zeker in moeilijke situaties. Ik bracht ooit een Filipijnse matroos die hier op zee een herseninfarct had gekregen terug naar Manilla. Toen ik hem kwam ophalen in het ziekenhuis, was de man totaal gedesoriënteerd. In die mate dat hij zijn eigen uitwerpselen op de muren uitsmeerde. Ik dacht: hoe krijg ik deze man ooit mee? Maar het is gelukt. En van zijn familie op de Filipijnen kreeg ik een kruis en een Bijbel cadeau. Die mensen waren zo blij dat ik hun zoon had teruggebracht. In hun ogen was ik een held.’

Tussen leven en dood
‘Helaas gaat het af en toe ook mis. In de periode dat het in Griekenland financieel heel slecht ging, moest ik een Vlaamse vrouw terug naar huis brengen. Ze had een epilepsieaanval gekregen. Het dossier dat ik onder ogen kreeg, kwam totaal niet overeen met de realiteit, de vrouw verbleef daar in haast erbarmelijke omstandigheden, er werd amper naar haar omgekeken. Op de vlucht naar huis kreeg de vrouw een ademhalingsstilstand. De piloot wilde landen, maar ik weigerde. Ik weet hoeveel problemen zoiets oplevert. Ik heb haar erdoor gekregen, op het vliegtuig zelf. Dan is het dus in de lucht echt een kwestie van leven of dood. Achteraf kreeg ik van de arts in Zaventem een voicemailbericht om me te bedanken.’

‘In Venetië staan aan de spoedafdeling geen ziekenwagens, maar liggen er bootjes. Mensen worden in een soort kruiwagen naar een bootje gebracht en zo naar het vasteland gevaren’

‘Een Nederlandse man had in Parijs een hersenbloeding gekregen. Het was meteen duidelijk dat hij het niet zou halen, maar de familie wilde graag thuis afscheid nemen en de man laten gaan in hun bijzijn. Helaas is hij in de ambulance onderweg naar huis gestorven. Zijn vrouw zat gelukkig wel naast hem, maar dat we hem niet op tijd bij zijn familie hebben gekregen, blijft toch even in je kleren zitten.’

Boko Haram
‘De dag na de aanslagen van 22 maart 2016 moest ik normaal naar Kameroen vertrekken. Dat is dan niet kunnen doorgaan, maar op dat moment besefte ik nog maar eens dat ik veel meer dan anderen vatbaar ben voor terreur. Toen de luchthaven opnieuw openging, vloog ik ook. Ik kon toen niet anders denken dan: dit is mijn luchthaven niet meer. Alles was anders. Ik kom gemiddeld vier keer per maand op luchthavens en in landen waar het niet altijd even veilig is. In Mali ging ik eens een advocate ophalen. Het hotel zat vol blauwhelmen. Militairen op elke verdieping. De week nadien hoorde ik dat er in datzelfde hotel een dodelijke aanslag werd gepleegd door Boko Haram. Ik probeer niet te lang stil te staan bij de risico”s, maar besef op zo’n moment toch dat een mens vooral veel geluk moet hebben.’
‘Sowieso kom ik in aanraking met heel veel verschillende culturen. In Venetië, bijvoorbeeld, gaat alles via het water. Daar staan aan de spoedafdeling geen ziekenwagens, maar liggen er bootjes. Mensen worden er in een soort kruiwagen naar een bootje gebracht en zo naar het vasteland gevaren. Ben ik in Marokko in volle ramadan, dan moet ik overdag wanhopig op zoek naar eten. Die culturele verschillen vind ik, hoe lastig ze soms zijn, een verrijking.’

Op prospectie

‘Ik besef dat ik veel meer dan anderen risico loop op een terreuraanslag. Ik kom gemiddeld vier keer per maand op luchthavens en in landen waar het niet altijd even veilig is.’

‘Soms krijg ik ook inzicht in politieke of religieuze spanningen die het nieuws hier al lang niet meer halen. In Bosnië zat ik eens naast een taxichauffeur, een Serviër, die heel negatief stond tegenover moslims. Hij maakte ze de hele tijd zwart. Iets later zat ik in een ziekenwagen met een Bosnische moslim die vertelde dat ze nog steeds onderdrukt worden, geen kansen krijgen, niet kunnen werken. Over die oorlog wordt hier niet veel meer gesproken, maar ik heb daar geleerd dat de onderlinge verhoudingen nog steeds scheefzitten.’
‘Voor Europese repatriëringen ben ik meestal één nacht weg, bij intercontinentale vluchten vaak twee nachten. Kom ik ’s morgens ergens aan en heb ik tijd over, dan huur ik een taxi om zelf wat van het land te kunnen genieten en iets te gaan bezichtigen. Los van mijn werk reis ik ook veel met mijn vrouw. Dankzij mijn baan kom ik soms op plaatsen waarnaar ik later met mijn vrouw nog eens terugkeer. Maar dan niet om voor anderen te zorgen, maar om zelf een beetje te genieten.’

Verschenen in De Standaard (15 mei 2017).

BLIJVEN.

Op een brug vlakbij mijn huis kijk ik naar de boten. Ze liggen, ze varen niet. Rechtover mijn huis wonen zigeuners. Zij hebben een verplaatsbaar huis maar verplaatsen zich niet. Iedereen blijft.
Als het nodig is, kunnen ze weg. De zee op, de baan op, gaan liggen of staan op een ander stuk water, een ander stuk gras. Maar het is niet nodig.
Op de brug komt een man naast me staan. Het is de uitbater van de nachtwinkel waar ik af en toe een Solero Exotic ga kopen. De Solero’s in die nachtwinkel zijn allemaal al eens gesmolten en daarna opnieuw ingevroren. Elke Solero is daardoor anders. Unieke stuks met de vreemdste vormen. Ze zijn prachtig. Toch eet ik ze op.
De man en ik herkennen elkaar. We zeggen niks. Samen kijken we naar de boten die liggen. Ooit verplaatste deze man zich. Allicht was dat nodig. Hij besloot andere oorden op te zoeken. Hij besloot zich daar van zijn medeverplaatsers te onderscheiden door Solero’s te smelten en opnieuw in te vriezen. Hij werd Solero-kunstenaar.
Op de reling van de brug komt een meeuw zitten. Ik heb geen eten bij me, de nachtwinkeluitbater ook niet. Toch blijft de meeuw zitten. Met ons drieën blijven we waar we zijn. We kijken naar de boten die liggen.

SPRING-IN-‘T-VELD.

Laatst was ik op een receptie. Iemand noemde me daar een spring-in-‘t-veld. De vrouw in kwestie zag me voor het laatst toen ik negen was, nog veel sprong en ongewild omringd werd door velden met koeien op. Ik zei haar dat ik tegenwoordig niet meer spring. Ik word daar moe van, van springen. Ook kom ik niet zo vaak meer in de buurt van velden, zei ik. De vrouw verduidelijkte zichzelf en zei dat ik nog steeds zo’n vrolijke meid ben. Geen haar veranderd. Ik zei haar dat ik op deze receptie al twaalf keer binnenkwam, expres, en op die manier twaalf maal het welkomstdrankje kon ontvangen. Daarna sprong ik vrolijk op en zei dat ze een slecht geheugen had. Toen ik negen was, had ik geen froufrou.

COLUMN: MET PLOOIEN EN AL

Vroeger deed ik bloot de strijk. Ik ben daarmee gestopt. Met strijken bedoel ik. En dus ook met bloot strijken. De afgelopen jaren ben ik met een aantal dingen gestopt. Ik ben gestopt met mijn verstand te gebruiken, ik ben gestopt met niet meer teveel drinken en ik ben gestopt met strijken.

Mijn moeder leerde mij strijken. Zakdoeken. Wie strijkt nu in godsnaam zakdoeken. Die dienen gewoon om uw neus in te snuiten hoor. Ten hoogste om ergens aan de kant van de weg achter een struik en met een sluitspier die dienst weigert uw gat mee af te vegen. Ik heb dat soms voor als ik vettig heb gegeten op verplaatsing. Nog nooit heb ik mij dan afgevraagd: zeg, waarom is die zakdoek niet gestreken? Mijn moeder strijkt zélf niet eens haar zakdoeken. Ik wist zelfs niet dat wij dat hadden, zakdoeken! Ze waren er gewoon ineens, toen mij de kunst van het strijken moest aangeleerd worden. Om van mij een goede vrouw te maken. Ik kan u al verklappen dat dat mislukt is, maar aan mijn moeder en haar zakdoeken heeft dat alleszins niet gelegen.

Mijn eerste lief studeerde voor dokter. Hij wilde er de hele tijd goed voorkomen en droeg van die geruite hemdjes met korte mouwen. Spuuglelijk maar ja, liefde maakt blind. Eerste liefde stekeblind. Na een dik half jaar begon het mij ineens te dagen: ik ga toch godverdomme zijn hemden niet moeten strijken zeker later? Hij zei van wel. Ik heb hem meteen buitengegooid. Afijn, niet letterlijk, want wij hadden elk ons eigen kot, maar ik zei dat hij moest kiezen. Ik of zijn hemden. Hij koos voor zijn hemden. Dat was dan dat. Salu en de strijk.

Maar u vraagt zich natuurlijk af waarom ik dat bloot deed, strijken. Ik ontdekte per ongeluk dat dat toffer is dan strijken met kleren aan. Ik had eens de was gedaan, de was opgehangen om te laten drogen en daarna nog een was ingestoken. Daardoor had ik geen kleren meer om aan te doen. Ik dacht foert! Ik strijk bloot! En dat voelde goed aan. Als iets goed aanvoelt, doet een mens dat dikwijls nog eens. En daarna nog eens. Dat is de aard van onze soort. Achteraf bekeken kon ik natuurlijk ook eerst een niet gestreken kledingstuk aantrekken, een ander kledingstuk strijken en dan wisselen van outfit. Maar ik was toen al gestopt met mijn verstand te gebruiken.

Toen ik nog bloot streek, woonde ik in een appartement. Op de derde verdieping. Door het grote schuifraam keek ik uit op een klas, het tweede of derde leerjaar, wie ziet daar het verschil tussen. En zij keken uit op mij. Het is te zeggen: op mijn bloot gat, elke dinsdagvoormiddag. Ik streek op dinsdagvoormiddag. Een goede vrouw heeft structuur. Die kinderen vonden dat niet raar. Kinderen zien ganse dagen het bloot gat van een volwassen vrouw. Die lopen badkamers te pas en te onpas binnen en buiten en kruipen met hun moeders in de kotjes van de zwemkom. Die kijken echt niet meer op van een bloot gat meer of minder.

Vorig jaar ben ik in een huis gaan wonen, het huis staat in een gemengde buurt. Hier wandelen kinderen voorbij, maar ook volwassenen, van over gans de wereld. Mijn bloot gat wordt hier minder geäpprecieerd. Volgens mij strijken ze in het buitenland niet bloot. Toen ik hier een week woonde, lag er een briefje in de hal. Met de hand geschreven. Er stond: please wil gij niet naked strike doen. Toen ben ik ermee gestopt. Goede buren zijn beter dan verre vrienden. Ook van mijn moeder geleerd. Als ik niet meer bloot mocht strijken, dan wilde ik niet meer strijken tout court. Sinds die dag moet iedereen mij maar nemen zoals ik ben. Met plooien en al.

Joke Van Caesbroeck is freelancejournaliste, dertig en van de vrouwelijke soort. Om de veertien dagen kunt u een column lang meekijken in haar hoofd. Daar is het soms gezellig, maar meestal niet.

Verschenen op P-magazine.be (1 mei 2017).