NIEUWE HUURDERS.

Het café naast mijn huis heeft nieuwe huurders. Ze boren gaten in de muren van hun nieuw gehuurde café. Op mijn bureau trilt de koffiekan. Om wat rust op te zoeken ga ik met mijn koffiekan buiten op mijn koer staan. De nieuwe huurders van het café naast mijn huis staan ook op hun koer. Het zijn twee mannen. Ze geven elkaar complimenten over hun boorkunsten. Man één zegt tegen man twee dat hij vindt dat man twee erg goed kan boren en man twee zegt tegen man één dat hij zelf ook geen slechte boorder is. Over het muurtje heen roep ik of ze al weten hoeveel ze gaan aanrekenen voor een flesje bier. De vorige huurders van het café vroegen er slechts anderhalve euro voor. Anderhalve euro, roept man één terug. Ik ga terug naar binnen en werk gerustgesteld verder.

OH-LA-LA.

Ik zit in de zetel met mijn konijn. Samen kijken we naar de televisie. Mijn konijn duwt haar kopje steeds onder mijn hand. Ik zeg haar dat ik ook wel eens geaaid wil worden. Ze springt uit de zetel. Op de vloer liggen nog kruimels chips. (Konijnen lijken erg op mensen. Ze bedelen om geaaid te worden, worden vervolgens niet geaaid en gaan dan maar lekkere dingen van de vloer likken.)
Ik eet snoepjes die oh-la-la! heten, ze zitten apart verpakt in roze papiertjes. Ik scheur het papier van vijf oh-la-la!’s. Ik steek er vier in mijn mond. De laatste leg ik op de vloer. Op de televisie zegt iemand dat als je vrolijkheid faket, je hersenen het gaan geloven.

TOREN.

In de wachtkamer staan zeven stoelen. Ik ben de achtste patiënt. Niemand staat voor me op. Ik ben niet oud en niet ziek genoeg om een stoel aan af te staan. Ik ga op de grond zitten in de speelhoek, met mijn rug tegen de verwarming. Er kan altijd nog wat koorts bij. Met de houten blokken die op de grond liggen bouw ik een toren. Een mevrouw hoest. Haar been zit in het gips. Dan is het weer stil. In de wachtkamer is het zo stil dat je de stilte kan horen. Het is een zacht geruis. Het bestaat niet. In de gang klinken gedempte stemmen, een deur valt zwaar in zijn slot. De deur van de wachtkamer zwaait open. Daar is de dokter. Mijn toren valt om.

OVERVAL.

Er wordt aan de deur gebeld. Ik kijk in het geniep scheef door mijn raam. Het is een politieagent. Snel verstop ik al mijn drugs in het hok van mijn konijn. Ik doe open. De agent zegt dat er iemand in deze straat in zijn huis is overvallen. Hij vraagt of ik de daders heb zien vluchten. Ik zeg dat ik naakt ontbijt en om die reden mijn rolluiken pas omhoog doe na het ontbijt en dat ik in het weekend tevens erg laat ontbijt, omdat het weekend is. De agent zegt dat ik goed moet uitkijken, mijn deur op slot moet doen en niet zomaar mag opendoen voor eender wie. Snel gooi ik de deur toe. Ik besef ineens dat we onze geliefden veel vaker moeten tonen dat we van ze houden. Ik haal mijn konijn uit haar hok, ik moet haar knuffelen, haar overvallen met mijn liefde. Mijn konijn springt uit mijn armen en begint complex te dansen. Haar ogen staan scheel.

SAMEN GAPEN NAAR OVERSPEL.

‘Temptation.’ De herkenbare fluisterstem knalt luid door de boxen van het Gentse danscafé De Viking. Geile, giechelende studenten drinken shotjes en gapen samen naar de gebronsde lijven, schuddende billen en halfontblote tieten op het grote scherm. 

Met gemiddeld 452.661 kijkers is de eerste aflevering van het negende seizoen van Temptation Island het best bekeken Vijf-programma ooit. Alvast een deel daarvan zit woensdagavond in café De Viking, vlak bij de Gentse Overpoortstraat . Het is acht uur. Op elke tafel staan een potje Doritos en een potje pikante dipsaus. Het is hier met gratis hapjes!
Voor de gelegenheid proper uitgedoste studenten druppelen in kliekjes binnen, ze ruiken naar goedkope parfums en praten luid. Het is bijna zover. De lichten gaan uit. Liever snel naar de hel dan traag naar de hemel, zingt Bazart. Het heeft iets profetisch.


Het zwijn uithangen
‘Je weet al op voorhand wat er gaat gebeuren’, zegt studente rechtspraktijk Serrurien (19). Er is hier opvallend veel volk dat iets met rechten studeert, evenals eventmanagers in spe. ‘Ik kom hier op café kijken om samen met vriendinnen te lachen met die koppels. Uitlachen, ja. Wie aan zo’n programma meedoet, vraagt daar toch om?’

 De studenten joelen luid: Jefferson, zelf aanwezig in café De Viking, laat zich op tv omklemmen door de benen van een vrijgezellin

Vier koppels, twee Vlaamse en twee Nederlandse, worden uit elkaar gehaald en vervolgens gedropt in een luxeresort op een Thais eiland. Daar loopt het vol vrijgezellen met grote borsten (‘Ik ben Pommeline en ik ben nog van veel meer voorzien!’) en afgetrainde torso’s die maar op één ding uit zijn: seks. Liefst zo dicht mogelijk bij de camera en liefst met geluidjes, om het audiovisueel te doen kloppen. Het is tenslotte voor de televisie.
Het café zit intussen stampvol. Om iets te drinken te halen moet je je tussen de zwetende jonge twintigers wurmen. Op het grote scherm worden de vrijgezellen voorgesteld. Eentje zegt dat hij gewoon echt een grote pik heeft. Hij grijnst. Er is dit jaar ook een buitenbeentje bij, de ietwat atypische, gitaar spelende Ken, met zijn lange blonde manen. De meisjes in het café roepen woehoew! De jongens zuchten. ‘Pas op: was ik single, ik zou durven meedoen’, zegt Maxim (22) – hij doet ook iets met rechten. ‘Twee weken lang tegen betaling het zwijn uithangen, tuurlijk wel!’ Zijn vrienden lachen luid. Aäron (19): ‘Het is gewoon leuk om te kijken hoe mensen domme dingen doen.’ En daar komt het natuurlijk op neer, we zijn allemaal al graag eens voyeur, we kijken graag naar hoe andere mensen het zwijn uithangen.

Community tv
Temptation Island is wat je community tv kan noemen: we kijken er graag naar in groep, met vrienden thuis of op een groot scherm in een café. Met een hapje en een drankje erbij, alstublieft. En onderwijl onze stoute meningen spuiend op Twitter en Facebook.
‘Typisch aan dit soort programma’s die samen bekeken worden, is dat elke scène nog eens opnieuw passeert op sociale media’, vertelt Wendy Van den Broeck van het media-onderzoekscentrum Iminds-Smit aan de VUB. ‘Iedereen wil er zijn zegje over doen, à la minute. In een tijdperk dat we meer en meer uitgesteld kijken, is Temptation Island om die reden een programma dat rechtstreeks bekeken wordt. Want we willen kunnen meepraten.’ En – niet schrikken nu – er is ook een commercieel motief. Voor adverteerders is in groep naar de ultieme relatietest kijken strategisch interessant, want live kijken betekent dat de reclameblokken niet worden doorgespoeld. Maar goed, na ‘talk to the hand’ (Gringo) en ‘je hebt kijken en je hebt kijken kijken’ (Haroon), zitten we uiteindelijk allemaal gewoon te wachten op een nieuwe oneliner die een paar maanden meekan. Een mooie, haast poëtische poging van de verleiders in deze eerste aflevering: ‘een worstje in de morgen is een dag zonder zorgen’.

‘Pas op: was ik single, ik zou durven meedoen. Twee weken lang tegen betaling het zwijn uithangen, tuurlijk wel!’

MAXIM (22)Studeert iets met rechten

De aflevering loopt op zijn einde. De studenten joelen luid: deelnemer Jefferson, zelf aanwezig in café De Viking, laat zich op televisie gewillig omklemmen door de benen van een vrijgezellin. Terwijl hij naar zichzelf kijkt op het scherm en het cafévolk naar hem, glimlacht hij trots. Tegen zijn kamergenoot zei hij eerder in de uitzending al: ‘Dat is hier gevaarlijk jongen. Chicks, drank, muziek en het is hier ook nog eens zo schoon!’ Wie er nog aan mocht twijfelen: er is geen Schepper. Scheefpoepen op een eiland of erom joelen in een café, we zijn allemaal beesten.

 

Verschenen in De Standaard (3 februari 2017).

RUDY.

Gisteren werd mijn fiets gestolen. Het was een hele goede fiets, hij heette Rudy. Rudy stond voor mijn huis, op slot, en iemand nam hem mee. Eerst geloofde ik het niet. Daarna was ik heel verdrietig. Toen werd ik kwaad. Nu, na een nacht slapen, heb ik de situatie geaccepteerd. Alle fases zijn doorlopen. Vaarwel lieve fiets. Rudy, het ga je goed. Straks schrijf ik nog een brief aan de regering. Ter nagedachtenis van Rudy en ter bescherming van zijn makkers, wil ik graag een wet die ervoor zorgt dat iedereen die zich zonder fiets verplaatst en dus een potentiële fietsendief is, preventief het land wordt uitgezet.

BOTSING.

In het midden van de nacht liep ik met mijn hoofd tegen de slaapkamerdeur. Het gebeurde onderweg naar het toilet, ik moest plassen. In alle donkerte vergat ik dat er in mijn slaapkamer naast een bed, kleerkast en twee nachtkastjes ook een deur is.
De botsing deed pijn. Ik ging op het toilet zitten. Ik plaste en ik huilde. Op het badkamerrek stond een plant dood te gaan. Er was geen toiletpapier meer. Ik huilde om het toiletpapier, om mijn hoofd en om de stervende plant op het rek. In een handdoek uit de wasmand snoot ik mijn neus. Er groeide een bult op mijn hoofd. Terug in bed wreef ik over de bult. Ik sprak dingen met mezelf af: morgen haal ik de deur uit de slaapkamer, daarna fiets ik naar het tuincentrum, om een nieuwe plant.

STUK.

Ik heb geen talent voor nostalgie. Nooit gehad. Dat zegt mijn vader. Ik heb hem verteld dat ik een stuk uit mijn geheugen kwijt ben. Het stuk dat ik kwijt ben loopt van mijn geboorte tot mijn zestiende. Het betreft dus een aanzienlijk deel van mijn leven. De helft ongeveer. Mijn vader zegt dat hij daar niet van verschiet. Hij zegt dat het mij als kind al allemaal niet kon schelen. Dat het was alsof ik toen al besefte dat alle jeugdmomenten ooit nostalgische momenten zouden zijn en dat ik daar geen talent voor zou blijken te hebben. Mijn moeder knikt heftig met haar hoofd. Ze geeft mijn vader gelijk. Ook zegt ze dat ik wel veel talent had voor drugs. Volgens haar is het stuk uit mijn geheugen weg omdat ik op te vroege leeftijd van te straffe jointjes heb getrokken. Mijn moeder is een psychologe. Zij ziet elke week wel iemand die op te vroege leeftijd van te straffe jointjes trok en stukken uit zijn geheugen kwijt is. Of erger nog, ze vervangen heeft door stukken die er nooit zijn geweest.
Het voordeel van de helft van een leven niet meer weten is dat ik me jonger voel dan ik in werkelijkheid ben. Lekker fris en guitig. Het nadeel is dat ik geen antwoord kan geven als iemand me vraagt of ik een goede of een slechte jeugd heb gehad. Ik weet het niet, zeg ik dan, ik weet dat niet meer. 
Mijn vader en moeder hebben een album met foto’s voor me gemaakt. Volgens dat album heb ik met zekerheid een goede jeugd gehad. Met korte broekjes, blote buiken, chocomonden, Franse bergen, Spaanse stranden, korte haren, lange paardenstaarten, mislukte tekeningen en taarten met kaarsen erop. Alle foto’s lijken achteraf gemaakt en in scène gezet.
Terwijl we door het album bladeren, mijn vader en moeder en ik, drinken we rode wijn. Dat drinken we alle drie graag. We delen een talent voor rode wijn. Mijn vader huilt een beetje. Hij zegt dat het niet aan hem kan liggen. Hij zegt dat hij nostalgisch is van aard – kijk naar mijn tranen, daar is die verdomde nostalgie weer – en het dus niet aan zijn genen kan liggen. Mijn moeder zet haar glas wijn heftig neer op tafel en roept tegen mijn vader of het dan haar schuld is misschien. Tegen mij zegt ze dat ze mij nooit drugs heeft gegeven. Ze kijkt in mijn ogen en bijt op haar wijs- en middelvinger. Daarna neemt ze een grote slok. De cd blijft haperen. Er loopt een straaltje rode wijn uit mijn moeders mond.

FILE.

Op een website kijk ik naar een balkje dat aangeeft hoeveel kilometer file er op de wegen staat. Het is middag, iets over twaalven, er staat negentien kilometer file. Een paar uren geleden was het spitsuur en stond er honderdentwaalf kilometer file. Ik sta nooit in een file. Dat komt grotendeels omdat ik niet meer met een auto rijd. Toen ik wel nog met een auto reed, stond ik ook nooit in een file. De kilometers die het filebalkje vermelden stonden altijd ergens anders dan waar ik reed. Ik deed dat niet expres.
Nu staat er elf kilometer file. Als ik nu in een auto op een weg reed, stond ik er vast weer niet in.

GROENTEAFVAL.

De buurvrouw vraagt waarom ik mijn pyjamabroek nog aan heb. Ik zeg haar dat ik die alleen uitdoe als ik naar buiten ga. Snel voeg ik eraan toe dat ik in dat geval wel een andere broek aantrek, een echte. Het is kwart voor drie in de namiddag. De buurvrouw komt groenteafval brengen, samen met haar hond.
Toen de buurvrouw voor de eerste keer met groenteafval voor de deur stond vroeg ik me af hoe armtierig ik er in haar ogen moest voorkomen dat ze haar groenteafval aan me schenkt. Ik nam het van haar aan en at de schilresten wortel en de koolbladeren op in de zetel, omdat ik dankbaar ben van aard. De week erop was ik er niet toen ze langskwam en hing het groenteafval in een plastic zakje aan de voordeur. Op het plastic zakje kleefde een briefje. Smakelijk aan uw konijn stond er. Toen voelde ik me wel stom.
Ik neem het plastic zakje met groenteafval aan. De hond van de buurvrouw snuffelt aan mijn pyjamabroek. De buurvrouw zegt eilaba niet doen tegen haar hond. Tegen mij zegt ze dat ze het plastic zakje in het vervolg graag terug wil.