‘IK WIL GEWOON THUIS ZIJN EN NIETS DOEN. MAG HET?’

‘En wat zijn uw hobby’s?’ Ons hele leven door, van nog onwetende kleuter tot kreupele bejaarde, krijgen we de vraag voorgeschoteld. Maar wat als je er geen hebt? Wat als je niet twee keer per week in groep gaat fietsen of in een lokaaltje leert welke wijndruiven van welke streek komen?

Het begint meestal wanneer jongens en meisjes naar het eerste studiejaar gaan. Er is natuurlijk ook zwemmen voor baby’s, maar daar ­weten die baby’s wanneer ze geen baby meer zijn doorgaans nog weinig van. Een jaar of vijf, zes zijn ze. Eindelijk leren lezen en schrijven, maar ook veel stilzitten. Tijd voor een hobby! Bewegen, ontspannen, misschien wel ergens heel goed in worden.
Moeder en vader in bed: ‘Wat zou nu echt iets voor ons Lientje zijn, denk jij?’ ‘Ik vind dat ze veel gevoel voor ritme heeft, ze moet op dansles.’ ‘Maar ook op viool, dat gaat zo leuk zijn later op familiefeestjes!’ En dus gaat Lientje op woensdagnamiddag jazzdansen, doorspartelt ze op zaterdagvoormiddag solsleutels en notenbalken en gaat op zondagnamiddag ook nog wat ravotten bij de scouts. Want dat wilde ze eigenlijk zelf ook nog graag. En hup. Vol zit dat jonge leven. Aan de ijskast kleeft ineens een hobbyplanning.

Kliekjes
Aan de ijskast van Fanny Leenknecht hangt er geen. Haar dochtertje van acht Anais heeft geen hobby. ‘Die wil ze zelf niet’, vertelt Fanny. ‘Ze zegt dat ze moe is van het naar school gaan en liever rustig thuis blijft, in de natuur speelt of met haar broer in de zetel zit. Haar vader en ik zijn gescheiden, ze moet elke week ­honderd kilometer afleggen tussen Antwerpen en Kortrijk, ik vermoed dat dat, in combinatie met school, voor haar gewoon genoeg is. Soms vind ik het pijnlijk om te zien dat het leven voor zo jonge kinderen al zo snel moet gaan. Zo snel dat zij heel bewust zegt: als er geen school is, wil ik gewoon op mijn gemak zijn.’

‘We zijn bang om iets te missen, bang voor de leegte, bang voor de verveling. Dus nemen we hobby’s om die angst tegen te gaan’
DIRK DE WACHTER – Psychiater

Maar op school krijgt Anais wel de vraag waarom zij niet ook in de KSA zit. ‘Dan zegt ze heel eerlijk dat ze liever thuis blijft. Ik denk dat ze ook niet goed om kan met drukte. Maar ik vind het op zich sterk dat ze ervoor uitkomt en totaal geen ambitie koestert om een hobby te gaan ­zoeken. Ze wordt er wel op aangesproken, maar niet om uitgelachen. Als mama ben ik op dit moment niet bang dat ze sociaal geïsoleerd zal raken, ze heeft genoeg vriendinnetjes om mee te spelen. Wel vraag ik me soms af hoe het later zal gaan, wanneer er toch altijd kliekjes gevormd worden. De groep van de KSA, de groep van de dansles … Zal ze dan wel ergens bijhoren?’

Ben Crabbé
Zo gaat het inderdaad. Een vaste hobby hebben is toch vaak een sociale aangelegenheid. Er worden groepjes gevormd. Zo ging het bij mij ook. Ik zat in de atletiekclub, turnde en leerde pianospelen. Mijn vriendjes en vriendinnetjes zaten ook op atletiek, turn- en pianoles. Ik was ook twee weken bij de jeugbeweging, maar hield daar mee op zodra bleek dat de activiteiten niet gemengd waren en je op kamp zelf de afwas moest doen. Nu ben ik een mens met vele interesses maar geen enkele hobby. In mijn vrije tijd wil ik niet nog eens met een groep vrouwen gaan joggen of leren hoe je groente in julienne snijdt. Van het idee alleen al word ik erg moe.
Maar voor de mensen die dat naast hun werk en hun gezin wel nog allemaal gedaan krijgen, en daar vooral plezier aan beleven: des te beter natuurlijk. Heel wat mensen nemen een hobby voor het sociale contact of om iets bij te leren. Onze ­eeuwige, eeuwige bijleermaatschappij. Moet dat per se door op vaste momenten samen te hokken met anderen?
An-Sofie Soens, een jonge vrouw van 29, vertelt dat het niet hebben van hobby’s het enige is dat haar ervan weerhoudt om mee te doen aan Blokken. ‘Ben Crabbé zou tijdens zijn introductiepraatje veel te raar naar mij kijken.’ Maar het gaat verder dan een grapje. ‘Vroeger waren er de carnavalsgroep, de jeugdbeweging, de dansgroep en de jeugdraad. Maar op een bepaald moment stoppen die jeugdhobby’s. Je begint te werken, dat blijkt allemaal niet gemakkelijk te combineren met je job. Wat ik soms mis, is het extra sociale contact. Maar om heel eerlijk te zijn, ben ik best blij met weekends en avonden ­zonder plannen, zonder verplichtingen. En uiteraard leer ik nog graag dingen bij, maar liever op mijn eigen tempo en zonder dat daar agenda’s aan te pas komen. Als jonge werkende krijg je al behoorlijk veel te verwerken. Gewoon thuis zijn en nietsdoen kan me soms nog het meeste ontspannen.’

Angst voor het niets
Psychiater Dirk De Wachter hoort dat graag. Als er iemand is die het nietsdoen en de verveling haast als kunsten op ­zichzelf weet te omschrijven, dan wel hij. Maar staat het niet hebben van een hobby – in de zin van op vaste tijdstippen, ­buitenshuis en dikwijls met andere mensen erbij – per definitie gelijk aan een leeg leven met verveling troef?
‘Voor sommige mensen kan een hobby buitenshuis deugd doen’, vertelt De Wachter. ‘Je ontmoet dikwijls nieuwe mensen met gelijkaardige interesses en dat terugkerende sociale contact is voor velen een belangrijke beweegreden om zich bij een clubje of vereniging aan te sluiten. En als het ook echt ontspannend en leuk is, misschien ter compensatie van saai werk, is daar ook niks verkeerds mee. Maar wanneer iemand hobby’s neemt omdat dat nu eenmaal zo zou horen, als een verplichting, als een symptoom van fomo (fear of missing out of de angst om iets te missen, red.), dan schieten die hobby’s hun doel totaal voorbij.’
Wel hobby’s hebben of geen hobby’s hebben, volgens De Wachter moet het een individuele en vrije keuze zijn die past bij wie jij bent. Geen hobby’s hebben betekent niet dat je geen interesses hebt, nooit mensen wil zien of niks wil bijleren. ‘Maar ik merk in de praktijk wel dat veel mensen nog steeds de neiging hebben om hun agenda’s en die van hun kinderen zo vol mogelijk te proppen. We blijven bang zijn voor het niets. We zijn bang om iets te missen, bang voor de leegte, bang voor de verveling. Dus nemen we hobby’s om die angst tegen te gaan. Heel wat mensen en kinderen krijgen daardoor net veel te veel prikkels. Plots ligt iemand dan met een burn-out op de canapé.’
‘We moeten echt leren om in onze vrije tijd eens gewoon niets te doen. Ook kinderen. Als de verveling toeslaat, komt vaak ook de creativiteit naar boven. Dus zit eens gewoon neer. Scrol eens niet op je smartphone door Facebook en Instagram om te zien wat de hobby’s van anderen zijn. Kijk gewoon even rond, staar wat door het raam. Doe eens compleet niks.’

Verschenen in De Standaard (9 november 2017).

HET BEELD: MALIN-SARAH GOZIN

‘The Shining’ (1980)
Stanley Kubrick

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: showrunner en scenarioschrijfster Malin-Sarah Gozin. 

‘ik weet niet meer precies wanneer ik The shining voor het eerst zag. Wel dat ik helemaal overweldigd was. Door het visuele, het kleurenpalet, al die unheimliche scènes. Sommige van de beelden zijn op mijn netvlies gebrand. Zoals deze still van Danny, op zijn driewielertje op dat hoteltapijt. Dat is een schitterend moment. Ook qua geluid. Je hoort dat ritmische rijden van die wielen op de vloer en dan ineens de stilte, wanneer de driewieler het tapijt op rijdt. Maar ook dit beeld an sich. De symmetrie van die driewieler, de gang, die tweeling. Het benadert de perfectie.’
‘Ik ben dan ook een perfectionist. Dat maakt dat ik soms de neiging heb om te veel te werken. De typemachine-still uit deze film met daarop ‘all work and no play makes Jack a dull boy’ stond jarenlang op het bureaublad van mijn laptop. Om me eraan te herinneren: stop eens even met werken, er zijn ook nog andere dingen. Ontspannen. Naar The shining kijken bijvoorbeeld (lacht).’
‘Toen ik eens in Colorado was voor een reisprogramma en slechts enkele uurtjes vrijaf had, gebruikte ik die paar uren om naar het Overlook Hotel te rijden: zo gek ben ik op deze film. Bleek wel dat enkel de buitenkant en de lobby van het hotel in de film zijn gebruikt, het interieur werd nagebouwd in studio’s. Een kleine teleurstelling, maar het kon het plezier niet verbrodden.’
The shining is een van de meest iconische psychologische horrorfilms ooit gemaakt. Het thema, angst hebben voor je eigen hoofd, de grens tussen sanity en insanity, vind ik ongelooflijk fascinerend. Daarom ook dat ik al jaren iets wilde maken als Tabula rasa. Ik kijk naar mensen als huizen. We laten anderen binnen in onze living, sommigen misschien in onze slaapkamer. Maar niet in de kelders en zolders van onze hoofden, daar waar de duisterheid kan zitten. Bij Jack Nicholson in The shining hebben de zolder en kelder net iets te lang open gestaan.’
Maar het kan iedereen overkomen. Net als het geheugen selectief is, is dat ook zo met duisternis in ons brein. We schrijven en herschrijven een beetje onze eigen wereld. Dat is ook waar Tabula rasa over gaat. En: wie goed kijkt, zal veel verwijzingen zien naar The shining. Bewuste, zoals het doolhofpatroon in het huis van Mie dat lijkt op het tapijt in deze still, maar vast ook onbewuste. Want zo diep zit deze Kubrick-film wel in mij geworteld.’

Verschenen in De Standaard (11 november 2017).

HET BEELD: BIEKE DEPOORTER

‘Andy Warhol mask, an actor of the theatre company Raffaello Sanzio’ (2008)
Alex Majoli

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: fotografe Bieke Depoorter.

‘Ik kocht deze foto ooit via The Magnum Square Print Sale, een paar dagen durend initiatief waarbij je gesigneerde foto’s van Magnum-fotografen kan kopen voor maar honderd dollar. De foto kwam bij me aan in een enveloppe, maar die geraakte op een voor mij nog steeds onverklaarbare wijze tussen het oud papier. Ik had het te laat door en weg was hij. Balen natuurlijk.’
‘Dit beeld is haast filmisch. Je ziet een acteur in zijn dressing room met een masker op van Andy Warhol. Puur visueel is het een fantastische foto. Maar waar ik ook meteen aan denk, is wat er vlak voor het nemen van de foto gebeurt en wat zich daarna afspeelt. Het beeld staat dan wel stil, het impliceert een voor en een na. Een verhaal. Het is een van de weinige foto’s waar ik niet alleen graag naar kijk, maar die ook in mijn hoofd blijft opduiken.’
‘Als ik zelf fotografeer, wil ik altijd dicht bij mijn onderwerp blijven. Een foto is voor mij een conversatie. Toen ik thuis alle beelden selecteerde voor As it may be en er een dummy van maakte, bleef die een half jaar liggen. Ik voelde me ineens een buitenstaander. Daarom wilde, of móést ik terug naar Egypte. Ik wilde de mensen daar de foto’s laten zien en er commentaar op laten geven. Politiek, religieus, maatschappelijk. Ik wilde hen een stem geven.’
‘Wat ik met As it may be deed is iets helemaal anders dan de projecten waar ik nu mee bezig ben. Die balanceren wél op die dunne lijn tussen fictie en documentaire die ook in deze foto van Alex Majoli zit. Je hoeft jezelf als fotograaf niet voortdurend te herhalen. Al groeide die afwisseling bij mij natuurlijk en geleidelijk.’
‘Op dit moment gebruik ik voor mijn foto’s de echte realiteit om een eigen realiteit weer te geven. De mensen op de beelden zijn als het ware de acteurs. Of beter: de personages. Wat je op een beeld ziet, is niet per se wat echt is, maar wel de atmosfeer die in mijn hoofd zit. Alex Majoli doet dat ook, maar op een heel andere manier. Hij kan van dagelijkse taferelen theatrale scènes maken. Misschien is het wel daarom dat ik deze foto blijf zien in mijn hoofd. Ik hoop de foto die ik kwijtspeelde tussen het oud papier trouwens opnieuw te bemachtigen. Ik heb er zelfs al over gedroomd.’

Verschenen in De Standaard (4 november 2017).

HET BEELD: STIJN MEURIS

‘The Birthday Party’ (1982)
Still uit Gotterdammerung (VPRO)

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag:  Stijn Meuris. 

‘21 juli 1982. Ik ben zeventien. Ik zit in de zetel tv te kijken. In de keuken staat mijn moeder af te wassen. Op de VPRO speelt Gotterdammerung, een programma over alternatieve muziek vernoemd naar een compositie van Wagner. Ik zie Joy Division live optreden en ik zie The Birthday Party, de toenmalige band van Nick Cave, het nummer ‘Junkyard’ brengen. Ik ben een simpele Overpeltse knaap die sinds een jaar met muziek bezig is. In de kast van mijn ouders staan platen van Abba, orkestmuziek van James Last en hitcompilaties met op de platenhoes wulpse dames in gebreide bikini’s: Alle Dertien Goed. Op televisie gaat The Birthday Party compleet loos. Nick Cave zingt en schreeuwt. De bassist doet alsof hij, met een enorme zwarte stetson-hoed op zijn hoofd, achterwaarts het drumstel neukt. Ik ben totaal van mijn sokken geblazen.’
‘Die twee fragmenten hebben mijn leven en mijn muzikaal wereldbeeld helemaal veranderd. De muziek en de allereerste muziekclips die toen op tv kwamen, waren allemaal heel netjes. Perfect belicht, glitter, glamour, gestroomlijnd. En dan ineens zag ik dat. Cave en zijn punkband die zich daar geen kloten van aantrokken. Die performden zoals ik nooit eerder een band zag performen. Ook die muziek had ik nog nooit gehoord. De punk­periode was natuurlijk al bezig en ik kende de Sex Pistols en The Clash wel, maar ik vond dat meer gewone rockmuziek gemaakt door mannen die gekke dingen deden met hun gezicht, kleren en haren. Wat ik The Birthday Party daar op televisie zag doen, was iets van een heel andere orde. Die stonden in een tv-studio in Hilversum werkelijk demonische muziek te maken. Bij beide shows dacht ik: die frontmannen gaan niet lang leven. Wat Ian Curtis betreft, kreeg ik gelijk. Nick Cave doet daarentegen nog altijd geniale dingen. Of dat moment voor de tv mij als muzikant beïnvloed heeft, is achteraf moeilijk te zeggen. Wel weet ik zeker dat ik er een soort code meekreeg. Een code die zegt dat je ook muziek kan maken met maar een paar noten en akkoorden. Zolang er maar een frontman is met uitstraling; hij moet niet eens geweldig goed kunnen zingen. Een nog belang­rijkere boodschap die ik eraan overhield was dat als je iets doet, je dat op je geheel eigen manier moet doen. Zonder compromissen.’

Verschenen in De Standaard (28 oktober 2017).

AANGESPROKEN.

Iedere dag loop ik langs dezelfde restaurants en etalages met onder andere valse poezen in. Wanneer ik over straat loop denk ik steeds dat iedereen op me let. Ik wil niet dat iemand op me let. Ik wil niet dat iemand me vraagt om een paar euro per maand te storten om bedreigde diersoorten te redden. Ik wil een katje om te aaien wanneer ik naar praatprogramma’s kijk. Ik loop met mijn hoofd gebogen. Ik kijk naar mijn schoenen. Ze ze zijn roze en nieuw. Ik heb ze niet preventief behandeld tegen vuil. Op de stoep speelt een man cello. Cello spelen op de stoep is een goeie manier om niet aangesproken te worden. Een vrouw op hakken haalt me in. Ze loopt maar een beetje sneller dan ik. Het inhalen gaat traag. Tien seconden lang loopt ze naast me. Heel even horen wij bij elkaar. Ik kijk opzij om te zien met wie ik op stap ben. Het een bekende actrice. Gisterenavond zat ze in een praatprogramma waar ik naar keek terwijl ik geen katje aaide. Ik houd haar tegen en vraag of het niet vervelend is om zo bekend te zijn en de hele tijd te worden aangesproken.

WERKZEUG.

Gisteren kreeg ik een e-mail met als onderwerp werkzeug. Op het moment dat ik de e-mail binnenkreeg was ik, behalve dat ik naar mijn computerscherm staarde en een banaan at, weer niets aan het doen. Ik doe steeds alsof ik heel hard werk en veel fruit eet maar eigenlijk eet ik alleen maar veel fruit.
Ik voelde me door de e-mail betrapt. Ik wil de enige zijn die weet dat ik geen werkzeug ben. De toon van dit e-mailonderwerp stond me tegen. Toch klikte ik de e-mail open. Zo gaat dat met dingen die je ongemakkelijk doen voelen, je wil dat ze je nog ongemakkelijker doen voelen. De e-mail was geschreven in het Duits. Toen werd ik pas echt bang. Beschaamd stuurde ik een screenshot van de e-mail naar een vriend. Hij schreef in een bericht terug dat werkzeug in het Duits gereedschap betekent.
Mijn kapstok kijkt al weken kwaad. Hij ligt op de vloer terwijl hij aan de muur zou moeten hangen. Mijn jas en sjaal hangen met punaises op. Vandaag ging ik naar de doe-het-zelfzaak en ik kocht er potgrond voor mijn sanseveria en aan de kassa nog een sleutelhanger van Bosch.

TWEE APEN.

In mijn mailbox zit een foto van twee apen op een blauw dak. Mijn broer zit in Nepal. Hij mailde de foto en schreef: er zitten twee apen op een blauw dak. Ik zag de apen eerst niet zitten maar toen ik beter keek zag ik ze wel zitten. Ze zitten inderdaad op een blauw dak. Mijn tweede lief had dezelfde naam als het aapje dat zes jaar lang aan mijn pennenzak had gehangen. Dat zag ik als een signaal dat dit lief ook wel zes jaar bij me zou blijven. Hij bleef achttien dagen en ging dan weer bij zijn oma wonen. Ik ben bang dat mijn broer in Nepal zal willen blijven wonen. Ik wil dat hij terugkeert. Dan eten we rijst met onze handen en gaan daarna naar de zoo.

BOVENBUREN.

Mijn nachtrust wordt gemiddeld twee keer per week door de bovenburen naar de verdoemenis geneukt. Elke avond kijk ik voor ik ga slapen op YouTube naar mensen die vallen. Ik kan het iedereen aanraden, van vallende mensen val je zelf zielsgelukkig in slaap. Gemiddeld twee keer per week word ik abrupt uit die gelukzalige slaap gerukt. Ik vond rukken een passend werkwoord om in de voorgaande zin te vervoegen.
De eerste keer dat ik mijn bovenbuurvrouw hoorde schreeuwen dacht ik dat ze een indringer had betrapt die in haar kasten op zoek was naar haar waardeloze spullen. Tot ze ineens riep: dieper! Ik ken haar nog maar net, maar mijn bovenbuurvrouw is geloof ik niet het type bovenbuurvrouw dat schreeuwend aan een indringer vraagt om dieper in haar kasten te gaan zoeken.
Ik ben geen schreeuwer. Ik ben een zuchter. Ooit zuchtte ik eens zo veel dat ik begon te hyperventileren van mijn eigen geilheid. We moesten de vrijpartij pauzeren omdat ik even tien minuten in een zak in en uit moest ademen. Ik vulde de lege zak paprikachips met opgewonden lucht. Toen ik weer normaal kon ademen en we we wilden hervatten waar we aan begonnen waren, ging dat niet. Al mijn hitsigheid was blijven kleven aan de binnenkant van een chipszak.
De bovenbuurman hoorde ik nog nooit. Sinds gisteren weet ik hoe dat komt. Ik zette de vuilniszakken buiten en zag de vuilniszak van de bovenburen staan. Qua vuilniszakken buiten zetten zijn de bovenburen me steeds weer voor. Ik zag het helemaal bovenaan hun vuilnis zitten. Een lege zak verse spinazie. De bovenburen leven gezonder dan ik, maar in een lege zak verse spinazie kan je prima op adem komen.

TAKE AWAY.

In de ontbijtzaak om de hoek vraag ik een koffie om mee te nemen. Ik hoef geen melk. Ik hoef geen suiker. Ik betaal, twee euro slechts, en neem de koffie mee naar een tafeltje in de hoek. Daar liggen de kranten. Er zitten nog drie andere mensen in de ontbijtzaak. Drie mannen. Zij drinken koffie uit echte tassen. Ze eten croissants, er liggen kruimels op de vloer. De mieren kunnen feesten straks. Het drietal kijkt kwaad. Ik lees de krant. De helft van de Vlamingen gebruikt nog pesticiden.

HET BEELD: PASCALE PLATEL

‘Selfie’ (2017)
Mary Rosenberger

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: actrice en theatermaakster Pascale Platel. 

‘Je kan ze eigenlijk moeilijk in een wel­bepaald vakje stoppen, Mary Rosenberger. Ze schildert, onder andere op kledij en schoenen, maar ze is ook model en ze gebruikt zichzelf als onderwerp op Instagram-foto’s. Selfies. Miljoenen mensen doen dat natuurlijk, het is eigen aan deze cultuur om je uit te drukken via sociale media. Maar voor mij is het in haar geval kunst. Ze verheft eigenlijk haar eigen lijf en leven tot iets artistieks. Haar leven is haar kunst en haar kunst is haar leven, het vloeit allemaal in elkaar over. Er zijn geen duidelijke grenzen. Dat doet ze door de mens die zij is te tonen, in al haar facetten. Delicaat, naakt en puur, soms dansend, af en toe wenend, angstig en met puisten.’
‘We hebben allemaal de neiging om ons sterk te houden, ook als we ons eigenlijk helemaal niet zo sterk voelen. Zij doet het allebei. Ze toont zichzelf exact zoals ze zich op dat moment voelt. Eigenlijk maakt ze geen onderscheid tussen goede en slechte emoties, ze registreert ze slechts. Over een van haar huilerige selfies zegt ze bijvoorbeeld dat ze verdrietig is, maar dat haar lippen dan wel mooi rood en gezwollen zijn. Soms zit ze al lachend een auto te besturen of enthousiast in haar living te dansen en soms toont ze haar angstige blik met natte ogen van het wenen. Haar onderwerp is heel vaak de liefde. De liefde voor haar moeder of haar vriend, André Moya, ook een kunstenaar die haar op zijn beurt vaak portretteert. Het mooie is dat ze nooit een statement maakt. Ze voert geen betoog. Ze zegt gewoon: kijk, zo ben ik vandaag. En vaak, zoals op deze selfie, toont ze zich heel broos en kwetsbaar. Zonder ooit cynisch te worden. En dat maakt het net zo sterk.’
‘Ik kan naar dit portret blijven kijken. Het is die echtheid die mij zo inspireert. De vragen die ze oproept. Het lef ook. Ik ben zelf een heel emotioneel mens, maar in het openbaar wenen of zeggen dat het niet gaat, vind ik niet evident. Als je dat doet, worden mensen daar toch altijd heel ongemakkelijk van. Het vergt moed. Ik streef er door ouder te worden wel meer en meer naar. Mezelf laten zien zoals ik ben, is bevrijdend. Het is ook op artistiek vlak een drijfveer.’
‘Toen mijn vader stierf, kreeg ik ruzie met mensen. Dat kwam omdat ik groot verdriet had dat zich uitte in kwaadheid. Als iemand me toen zei dat ik even over iets anders moest praten, aan iets anders moest denken, werd ik woedend. Nu weet ik dat het draaide om erkenning. Erkenning van emoties bij anderen is zo ontzettend belangrijk. Het is exact dat wat me zo aantrekt aan dit zelfportret van Rosenberger. Ik herken het en ik ­erken het.’

Verschenen in De Standaard (21 oktober 2017).