Categorie: DE STANDAARD (pagina 1 van 3)

‘IK WIL GEWOON THUIS ZIJN EN NIETS DOEN. MAG HET?’

‘En wat zijn uw hobby’s?’ Ons hele leven door, van nog onwetende kleuter tot kreupele bejaarde, krijgen we de vraag voorgeschoteld. Maar wat als je er geen hebt? Wat als je niet twee keer per week in groep gaat fietsen of in een lokaaltje leert welke wijndruiven van welke streek komen?

Het begint meestal wanneer jongens en meisjes naar het eerste studiejaar gaan. Er is natuurlijk ook zwemmen voor baby’s, maar daar ­weten die baby’s wanneer ze geen baby meer zijn doorgaans nog weinig van. Een jaar of vijf, zes zijn ze. Eindelijk leren lezen en schrijven, maar ook veel stilzitten. Tijd voor een hobby! Bewegen, ontspannen, misschien wel ergens heel goed in worden.
Moeder en vader in bed: ‘Wat zou nu echt iets voor ons Lientje zijn, denk jij?’ ‘Ik vind dat ze veel gevoel voor ritme heeft, ze moet op dansles.’ ‘Maar ook op viool, dat gaat zo leuk zijn later op familiefeestjes!’ En dus gaat Lientje op woensdagnamiddag jazzdansen, doorspartelt ze op zaterdagvoormiddag solsleutels en notenbalken en gaat op zondagnamiddag ook nog wat ravotten bij de scouts. Want dat wilde ze eigenlijk zelf ook nog graag. En hup. Vol zit dat jonge leven. Aan de ijskast kleeft ineens een hobbyplanning.

Kliekjes
Aan de ijskast van Fanny Leenknecht hangt er geen. Haar dochtertje van acht Anais heeft geen hobby. ‘Die wil ze zelf niet’, vertelt Fanny. ‘Ze zegt dat ze moe is van het naar school gaan en liever rustig thuis blijft, in de natuur speelt of met haar broer in de zetel zit. Haar vader en ik zijn gescheiden, ze moet elke week ­honderd kilometer afleggen tussen Antwerpen en Kortrijk, ik vermoed dat dat, in combinatie met school, voor haar gewoon genoeg is. Soms vind ik het pijnlijk om te zien dat het leven voor zo jonge kinderen al zo snel moet gaan. Zo snel dat zij heel bewust zegt: als er geen school is, wil ik gewoon op mijn gemak zijn.’

‘We zijn bang om iets te missen, bang voor de leegte, bang voor de verveling. Dus nemen we hobby’s om die angst tegen te gaan’
DIRK DE WACHTER – Psychiater

Maar op school krijgt Anais wel de vraag waarom zij niet ook in de KSA zit. ‘Dan zegt ze heel eerlijk dat ze liever thuis blijft. Ik denk dat ze ook niet goed om kan met drukte. Maar ik vind het op zich sterk dat ze ervoor uitkomt en totaal geen ambitie koestert om een hobby te gaan ­zoeken. Ze wordt er wel op aangesproken, maar niet om uitgelachen. Als mama ben ik op dit moment niet bang dat ze sociaal geïsoleerd zal raken, ze heeft genoeg vriendinnetjes om mee te spelen. Wel vraag ik me soms af hoe het later zal gaan, wanneer er toch altijd kliekjes gevormd worden. De groep van de KSA, de groep van de dansles … Zal ze dan wel ergens bijhoren?’

Ben Crabbé
Zo gaat het inderdaad. Een vaste hobby hebben is toch vaak een sociale aangelegenheid. Er worden groepjes gevormd. Zo ging het bij mij ook. Ik zat in de atletiekclub, turnde en leerde pianospelen. Mijn vriendjes en vriendinnetjes zaten ook op atletiek, turn- en pianoles. Ik was ook twee weken bij de jeugbeweging, maar hield daar mee op zodra bleek dat de activiteiten niet gemengd waren en je op kamp zelf de afwas moest doen. Nu ben ik een mens met vele interesses maar geen enkele hobby. In mijn vrije tijd wil ik niet nog eens met een groep vrouwen gaan joggen of leren hoe je groente in julienne snijdt. Van het idee alleen al word ik erg moe.
Maar voor de mensen die dat naast hun werk en hun gezin wel nog allemaal gedaan krijgen, en daar vooral plezier aan beleven: des te beter natuurlijk. Heel wat mensen nemen een hobby voor het sociale contact of om iets bij te leren. Onze ­eeuwige, eeuwige bijleermaatschappij. Moet dat per se door op vaste momenten samen te hokken met anderen?
An-Sofie Soens, een jonge vrouw van 29, vertelt dat het niet hebben van hobby’s het enige is dat haar ervan weerhoudt om mee te doen aan Blokken. ‘Ben Crabbé zou tijdens zijn introductiepraatje veel te raar naar mij kijken.’ Maar het gaat verder dan een grapje. ‘Vroeger waren er de carnavalsgroep, de jeugdbeweging, de dansgroep en de jeugdraad. Maar op een bepaald moment stoppen die jeugdhobby’s. Je begint te werken, dat blijkt allemaal niet gemakkelijk te combineren met je job. Wat ik soms mis, is het extra sociale contact. Maar om heel eerlijk te zijn, ben ik best blij met weekends en avonden ­zonder plannen, zonder verplichtingen. En uiteraard leer ik nog graag dingen bij, maar liever op mijn eigen tempo en zonder dat daar agenda’s aan te pas komen. Als jonge werkende krijg je al behoorlijk veel te verwerken. Gewoon thuis zijn en nietsdoen kan me soms nog het meeste ontspannen.’

Angst voor het niets
Psychiater Dirk De Wachter hoort dat graag. Als er iemand is die het nietsdoen en de verveling haast als kunsten op ­zichzelf weet te omschrijven, dan wel hij. Maar staat het niet hebben van een hobby – in de zin van op vaste tijdstippen, ­buitenshuis en dikwijls met andere mensen erbij – per definitie gelijk aan een leeg leven met verveling troef?
‘Voor sommige mensen kan een hobby buitenshuis deugd doen’, vertelt De Wachter. ‘Je ontmoet dikwijls nieuwe mensen met gelijkaardige interesses en dat terugkerende sociale contact is voor velen een belangrijke beweegreden om zich bij een clubje of vereniging aan te sluiten. En als het ook echt ontspannend en leuk is, misschien ter compensatie van saai werk, is daar ook niks verkeerds mee. Maar wanneer iemand hobby’s neemt omdat dat nu eenmaal zo zou horen, als een verplichting, als een symptoom van fomo (fear of missing out of de angst om iets te missen, red.), dan schieten die hobby’s hun doel totaal voorbij.’
Wel hobby’s hebben of geen hobby’s hebben, volgens De Wachter moet het een individuele en vrije keuze zijn die past bij wie jij bent. Geen hobby’s hebben betekent niet dat je geen interesses hebt, nooit mensen wil zien of niks wil bijleren. ‘Maar ik merk in de praktijk wel dat veel mensen nog steeds de neiging hebben om hun agenda’s en die van hun kinderen zo vol mogelijk te proppen. We blijven bang zijn voor het niets. We zijn bang om iets te missen, bang voor de leegte, bang voor de verveling. Dus nemen we hobby’s om die angst tegen te gaan. Heel wat mensen en kinderen krijgen daardoor net veel te veel prikkels. Plots ligt iemand dan met een burn-out op de canapé.’
‘We moeten echt leren om in onze vrije tijd eens gewoon niets te doen. Ook kinderen. Als de verveling toeslaat, komt vaak ook de creativiteit naar boven. Dus zit eens gewoon neer. Scrol eens niet op je smartphone door Facebook en Instagram om te zien wat de hobby’s van anderen zijn. Kijk gewoon even rond, staar wat door het raam. Doe eens compleet niks.’

Verschenen in De Standaard (9 november 2017).

HET BEELD: MALIN-SARAH GOZIN

‘The Shining’ (1980)
Stanley Kubrick

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: showrunner en scenarioschrijfster Malin-Sarah Gozin. 

‘ik weet niet meer precies wanneer ik The shining voor het eerst zag. Wel dat ik helemaal overweldigd was. Door het visuele, het kleurenpalet, al die unheimliche scènes. Sommige van de beelden zijn op mijn netvlies gebrand. Zoals deze still van Danny, op zijn driewielertje op dat hoteltapijt. Dat is een schitterend moment. Ook qua geluid. Je hoort dat ritmische rijden van die wielen op de vloer en dan ineens de stilte, wanneer de driewieler het tapijt op rijdt. Maar ook dit beeld an sich. De symmetrie van die driewieler, de gang, die tweeling. Het benadert de perfectie.’
‘Ik ben dan ook een perfectionist. Dat maakt dat ik soms de neiging heb om te veel te werken. De typemachine-still uit deze film met daarop ‘all work and no play makes Jack a dull boy’ stond jarenlang op het bureaublad van mijn laptop. Om me eraan te herinneren: stop eens even met werken, er zijn ook nog andere dingen. Ontspannen. Naar The shining kijken bijvoorbeeld (lacht).’
‘Toen ik eens in Colorado was voor een reisprogramma en slechts enkele uurtjes vrijaf had, gebruikte ik die paar uren om naar het Overlook Hotel te rijden: zo gek ben ik op deze film. Bleek wel dat enkel de buitenkant en de lobby van het hotel in de film zijn gebruikt, het interieur werd nagebouwd in studio’s. Een kleine teleurstelling, maar het kon het plezier niet verbrodden.’
The shining is een van de meest iconische psychologische horrorfilms ooit gemaakt. Het thema, angst hebben voor je eigen hoofd, de grens tussen sanity en insanity, vind ik ongelooflijk fascinerend. Daarom ook dat ik al jaren iets wilde maken als Tabula rasa. Ik kijk naar mensen als huizen. We laten anderen binnen in onze living, sommigen misschien in onze slaapkamer. Maar niet in de kelders en zolders van onze hoofden, daar waar de duisterheid kan zitten. Bij Jack Nicholson in The shining hebben de zolder en kelder net iets te lang open gestaan.’
Maar het kan iedereen overkomen. Net als het geheugen selectief is, is dat ook zo met duisternis in ons brein. We schrijven en herschrijven een beetje onze eigen wereld. Dat is ook waar Tabula rasa over gaat. En: wie goed kijkt, zal veel verwijzingen zien naar The shining. Bewuste, zoals het doolhofpatroon in het huis van Mie dat lijkt op het tapijt in deze still, maar vast ook onbewuste. Want zo diep zit deze Kubrick-film wel in mij geworteld.’

Verschenen in De Standaard (11 november 2017).

HET BEELD: BIEKE DEPOORTER

‘Andy Warhol mask, an actor of the theatre company Raffaello Sanzio’ (2008)
Alex Majoli

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: fotografe Bieke Depoorter.

‘Ik kocht deze foto ooit via The Magnum Square Print Sale, een paar dagen durend initiatief waarbij je gesigneerde foto’s van Magnum-fotografen kan kopen voor maar honderd dollar. De foto kwam bij me aan in een enveloppe, maar die geraakte op een voor mij nog steeds onverklaarbare wijze tussen het oud papier. Ik had het te laat door en weg was hij. Balen natuurlijk.’
‘Dit beeld is haast filmisch. Je ziet een acteur in zijn dressing room met een masker op van Andy Warhol. Puur visueel is het een fantastische foto. Maar waar ik ook meteen aan denk, is wat er vlak voor het nemen van de foto gebeurt en wat zich daarna afspeelt. Het beeld staat dan wel stil, het impliceert een voor en een na. Een verhaal. Het is een van de weinige foto’s waar ik niet alleen graag naar kijk, maar die ook in mijn hoofd blijft opduiken.’
‘Als ik zelf fotografeer, wil ik altijd dicht bij mijn onderwerp blijven. Een foto is voor mij een conversatie. Toen ik thuis alle beelden selecteerde voor As it may be en er een dummy van maakte, bleef die een half jaar liggen. Ik voelde me ineens een buitenstaander. Daarom wilde, of móést ik terug naar Egypte. Ik wilde de mensen daar de foto’s laten zien en er commentaar op laten geven. Politiek, religieus, maatschappelijk. Ik wilde hen een stem geven.’
‘Wat ik met As it may be deed is iets helemaal anders dan de projecten waar ik nu mee bezig ben. Die balanceren wél op die dunne lijn tussen fictie en documentaire die ook in deze foto van Alex Majoli zit. Je hoeft jezelf als fotograaf niet voortdurend te herhalen. Al groeide die afwisseling bij mij natuurlijk en geleidelijk.’
‘Op dit moment gebruik ik voor mijn foto’s de echte realiteit om een eigen realiteit weer te geven. De mensen op de beelden zijn als het ware de acteurs. Of beter: de personages. Wat je op een beeld ziet, is niet per se wat echt is, maar wel de atmosfeer die in mijn hoofd zit. Alex Majoli doet dat ook, maar op een heel andere manier. Hij kan van dagelijkse taferelen theatrale scènes maken. Misschien is het wel daarom dat ik deze foto blijf zien in mijn hoofd. Ik hoop de foto die ik kwijtspeelde tussen het oud papier trouwens opnieuw te bemachtigen. Ik heb er zelfs al over gedroomd.’

Verschenen in De Standaard (4 november 2017).

HET BEELD: STIJN MEURIS

‘The Birthday Party’ (1982)
Still uit Gotterdammerung (VPRO)

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag:  Stijn Meuris. 

‘21 juli 1982. Ik ben zeventien. Ik zit in de zetel tv te kijken. In de keuken staat mijn moeder af te wassen. Op de VPRO speelt Gotterdammerung, een programma over alternatieve muziek vernoemd naar een compositie van Wagner. Ik zie Joy Division live optreden en ik zie The Birthday Party, de toenmalige band van Nick Cave, het nummer ‘Junkyard’ brengen. Ik ben een simpele Overpeltse knaap die sinds een jaar met muziek bezig is. In de kast van mijn ouders staan platen van Abba, orkestmuziek van James Last en hitcompilaties met op de platenhoes wulpse dames in gebreide bikini’s: Alle Dertien Goed. Op televisie gaat The Birthday Party compleet loos. Nick Cave zingt en schreeuwt. De bassist doet alsof hij, met een enorme zwarte stetson-hoed op zijn hoofd, achterwaarts het drumstel neukt. Ik ben totaal van mijn sokken geblazen.’
‘Die twee fragmenten hebben mijn leven en mijn muzikaal wereldbeeld helemaal veranderd. De muziek en de allereerste muziekclips die toen op tv kwamen, waren allemaal heel netjes. Perfect belicht, glitter, glamour, gestroomlijnd. En dan ineens zag ik dat. Cave en zijn punkband die zich daar geen kloten van aantrokken. Die performden zoals ik nooit eerder een band zag performen. Ook die muziek had ik nog nooit gehoord. De punk­periode was natuurlijk al bezig en ik kende de Sex Pistols en The Clash wel, maar ik vond dat meer gewone rockmuziek gemaakt door mannen die gekke dingen deden met hun gezicht, kleren en haren. Wat ik The Birthday Party daar op televisie zag doen, was iets van een heel andere orde. Die stonden in een tv-studio in Hilversum werkelijk demonische muziek te maken. Bij beide shows dacht ik: die frontmannen gaan niet lang leven. Wat Ian Curtis betreft, kreeg ik gelijk. Nick Cave doet daarentegen nog altijd geniale dingen. Of dat moment voor de tv mij als muzikant beïnvloed heeft, is achteraf moeilijk te zeggen. Wel weet ik zeker dat ik er een soort code meekreeg. Een code die zegt dat je ook muziek kan maken met maar een paar noten en akkoorden. Zolang er maar een frontman is met uitstraling; hij moet niet eens geweldig goed kunnen zingen. Een nog belang­rijkere boodschap die ik eraan overhield was dat als je iets doet, je dat op je geheel eigen manier moet doen. Zonder compromissen.’

Verschenen in De Standaard (28 oktober 2017).

HET BEELD: PASCALE PLATEL

‘Selfie’ (2017)
Mary Rosenberger

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: actrice en theatermaakster Pascale Platel. 

‘Je kan ze eigenlijk moeilijk in een wel­bepaald vakje stoppen, Mary Rosenberger. Ze schildert, onder andere op kledij en schoenen, maar ze is ook model en ze gebruikt zichzelf als onderwerp op Instagram-foto’s. Selfies. Miljoenen mensen doen dat natuurlijk, het is eigen aan deze cultuur om je uit te drukken via sociale media. Maar voor mij is het in haar geval kunst. Ze verheft eigenlijk haar eigen lijf en leven tot iets artistieks. Haar leven is haar kunst en haar kunst is haar leven, het vloeit allemaal in elkaar over. Er zijn geen duidelijke grenzen. Dat doet ze door de mens die zij is te tonen, in al haar facetten. Delicaat, naakt en puur, soms dansend, af en toe wenend, angstig en met puisten.’
‘We hebben allemaal de neiging om ons sterk te houden, ook als we ons eigenlijk helemaal niet zo sterk voelen. Zij doet het allebei. Ze toont zichzelf exact zoals ze zich op dat moment voelt. Eigenlijk maakt ze geen onderscheid tussen goede en slechte emoties, ze registreert ze slechts. Over een van haar huilerige selfies zegt ze bijvoorbeeld dat ze verdrietig is, maar dat haar lippen dan wel mooi rood en gezwollen zijn. Soms zit ze al lachend een auto te besturen of enthousiast in haar living te dansen en soms toont ze haar angstige blik met natte ogen van het wenen. Haar onderwerp is heel vaak de liefde. De liefde voor haar moeder of haar vriend, André Moya, ook een kunstenaar die haar op zijn beurt vaak portretteert. Het mooie is dat ze nooit een statement maakt. Ze voert geen betoog. Ze zegt gewoon: kijk, zo ben ik vandaag. En vaak, zoals op deze selfie, toont ze zich heel broos en kwetsbaar. Zonder ooit cynisch te worden. En dat maakt het net zo sterk.’
‘Ik kan naar dit portret blijven kijken. Het is die echtheid die mij zo inspireert. De vragen die ze oproept. Het lef ook. Ik ben zelf een heel emotioneel mens, maar in het openbaar wenen of zeggen dat het niet gaat, vind ik niet evident. Als je dat doet, worden mensen daar toch altijd heel ongemakkelijk van. Het vergt moed. Ik streef er door ouder te worden wel meer en meer naar. Mezelf laten zien zoals ik ben, is bevrijdend. Het is ook op artistiek vlak een drijfveer.’
‘Toen mijn vader stierf, kreeg ik ruzie met mensen. Dat kwam omdat ik groot verdriet had dat zich uitte in kwaadheid. Als iemand me toen zei dat ik even over iets anders moest praten, aan iets anders moest denken, werd ik woedend. Nu weet ik dat het draaide om erkenning. Erkenning van emoties bij anderen is zo ontzettend belangrijk. Het is exact dat wat me zo aantrekt aan dit zelfportret van Rosenberger. Ik herken het en ik ­erken het.’

Verschenen in De Standaard (21 oktober 2017).

HET BEELD: JOHANNES GENARD

‘Waiting (for meaning)’ (1988)
Marlene Dumas

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: muzikant Johannes Genard (School is Cool). 

‘Ik kwam dit werk een paar jaar geleden tegen op een retrospectieve tentoonstelling van Marlene Dumas in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Ik zat toen in een nogal moeilijke periode. Ik kon al een hele tijd geen songs meer schrijven. Alle inspiratie leek verdwenen. Ik voelde me een wannabe muzikant. En op dat moment stootte ik op dit schilderij.’
‘De titel alleen al, Waiting (for meaning), trof me. Het gaf perfect weer hoe ik me op dat moment voelde. Ik denk zelfs dat het goed verbeeldt wat een hele generatie, mijn generatie, voelt. Veel van de oude referentiekaders zijn verdwenen. De keuzes en vrijheden vandaag zijn gigantisch. Maar dat maakt betekenis geven aan je leven of aan de dingen die je doet er niet per se gemakkelijker op. In de supermarkt staan zoveel soorten melk dat je geen idee meer hebt welke melk je moet kiezen. In dat opzicht is dit werk, dat trouwens geschilderd werd in mijn geboortejaar, heel hedendaags.’
‘Is het een tafel waar de vrouw op ligt? Een altaar, een doodskist? Ik weet het niet. Maar de passiviteit druipt ervan af. Ze ligt daar gewoon, met moedeloos bungelende benen. Voor mij staat dit werk voor pure gelatenheid. Immobiliteit. Ik weet niet of Dumas het zo bedoelde, maar ik interpreteer het zo: je kunt niet wachten op betekenis. Die komt niet zomaar ineens. Je moet het zelf doen. Je moet zelf betekenis geven.’
‘Toen president Trump naar Brussel kwam, zei ik op Facebook dat ik mee wilde gaan betogen. De reactie die ik vaak kreeg was: waarom? Waarom zou je met borden aan je lijf en dingen scanderend over straat lopen als dat uiteindelijk toch allemaal niet uitmaakt? Die reactie is exact waarom het inderdaad vaak niet uitmaakt. Iedereen heeft tegenwoordig een politieke mening en verkondigt die ook graag luid, maar haast niemand past ze nog toe. Ook daar zit een zekere gelatenheid in. Een wachten op. Het liefste wil ik daar niet in meegaan. Dit schilderij staat zelfs ingesteld als achtergrond op mijn laptop, als een soort waakhond voor die gelatenheid.’
‘Betekenis kan ook veranderen. Dat heb ik bijvoorbeeld gemerkt tijdens het maken van het derde album van School Is Cool. Vroeger wilde ik heel conceptuele platen maken. Met liedjes die over bepaalde thema’s gaan en per se iets moesten vertellen. Nu was ik in de eerste plaats al blij dat ik nieuwe nummers kón schrijven. En de betekenis zit hem nu veel meer in de muziek zelf. Het ontstaan ervan, maar ook het samen spelen met de band en het spelen voor andere mensen. Dat het ook gewoon dat kan zijn, is heel bevrijdend en tegelijkertijd beangstigend. Want hoe vrijer je je voelt, hoe minder beperkingen je jezelf oplegt, hoe meer die gelatenheid die ik zo vrees om de hoek loert.’
‘Als je alles kan doen, doe je dikwijls niets. Ik heb ontdekt dat het voor mij nu meer draait om het delen. Delen met mensen. De mensen met wie ik samen speel. De mensen voor wie we spelen. Mijn vriendin. Want de liefde, dat is misschien wel de ultieme en meest betekenisvolle expressie van de mensheid.’

Verschenen in De Standaard (14 oktober 2017).

HET BEELD: GILLES COULIER

‘Psycho’ (1960)
Alfred Hitchcock

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: regisseur Gilles Coulier. 

‘Ik ben een schijtluis als het gaat over horrorfilms en stevige thrillers. Als kind, ik moet een jaar of acht geweest zijn, keek ik eens naar een film over een jongetje dat gekidnapt werd door ­aliens. Dat heeft zo’n impact op me gehad, dat ik drie jaar slecht heb geslapen. Ik weet tot vandaag niet om welke film het ging en hoef het zelfs niet te weten. Zo erg was het. Toen ik al wat ouder was, keken we met de scouts in een bos naar The Blair Witch Project. Ook dat vond ik echt angstaanjagend. Zelfs vandaag zouden ze me dat niet moeten aandoen.’
Psycho zag ik voor het eerst toen ik al op de filmschool zat. Ik ben pas vrij laat de grote filmklassiekers beginnen te bekijken. Ik keek er onbevangen naar, het analyseren kwam pas achteraf, en vond het een fantastische film. Visueel – als je naar dit beeld kijkt, zie je meteen waarom – maar ook qua verhaal. Ik was van begin tot eind geboeid. Ik had pas later door waarom. Door dit beeld. Door wat hier, op dit moment, in de film gebeurt. De douchescène in Psycho is allicht de bekendste, maar het is deze scène die van Hitchcock voor mij een geniale regisseur maakt. Bij het schrijven van een scenario is de eerste en belangrijkste regel: empathie creëren voor het hoofdpersonage. Kijkers moeten kunnen meeleven, mee vóélen, met dat personage. En wat doet Hitchcock hier, in 1960? Hij laat zijn hoofdpersonage vermoorden. Wereldschokkend was dat. Nooit gezien. En dan die meesterlijke zet. De moordenaar legt het lijk in de koffer van de wagen en wil hem in het moeras duwen. Maar de auto blijft steken in plaats van te verdwijnen. Door die auto iets onnozels te laten overkomen, ontstaat er een nieuw hoofdpersonage waar de kijker empathie voor kan voelen: want, fuck, die auto zinkt niet, hoe gaat die moordenaar dát oplossen?’
‘Als filmmaker vertel ik graag kleine verhalen van gewone mensen. Maar ook ik worstel met de empathievraag. Hoe kan ik een stille visser die niet in staat is om over emoties te praten toch zo neerzetten dat mensen met hem meeleven? Het is de belangrijkste, maar ook de moeilijkste vraag als je schrijft. Dit beeld toont heel mooi aan dat er achter een shot een hele filosofie schuilgaat. Intussen is het een gekende filmtruc. Wij, regisseurs en scenarioschrijvers, proberen dat nu allemaal. Maar Hitchcock, die dééd dat gewoon.’

Verschenen in De Standaard (7 oktober 2017).

HET BEELD: ANNELIES VERBEKE

The Red Room uit ‘Twin Peaks’ (2017)
David Lynch

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: schrijfster Annelies Verbeke.

‘Ik was een jaar of zeventien toen de eerste seizoenen van Twin Peaks bij ons op de televisie kwamen. Niemand had ooit zoiets gezien. Een reeks met zoveel ­lagen. De vreemdheid ervan. Die hele symbolenwereld. Ik vond het fantastisch. Angstaanjagend en intrigerend tegelijkertijd. Ik las in die tijd ook het boek The secret diary of Laura Palmer – om er helemaal in te zitten. Onlangs kwam er een nieuw seizoen uit, 25 jaar na het eerste. Ik zag die eerste twee afleveringen en de tranen rolden over mijn wangen. Omdat het nog beter was dan ik had verwacht, maar ook omdat ik ineens besefte: niet alleen Dale Cooper en Laura Palmer zijn 25 jaar ouder geworden, ik ook.’
‘Deze still van The Red Room, of Waiting Room, verbonden met de Black Lodge en de White Lodge, illustreert perfect de dromenwereld vol illusies die David Lynch in Twin Peaks schetst. Het is de plaats van de dubbelganger. De plek waar Dale Cooper een kwaadaardige afsplitsing krijgt. Wat de acteurs in die kamer zeggen, spraken ze achterstevoren in, waarna het opnieuw achterstevoren werd afgespeeld, waardoor je dat rare Engels krijgt. De symboliek van die kamer is enorm. Die Venus de Medici mét armen die staat voor de verlegenheid en schaamte van de vrouw, terwijl in de gang wat verderop een Venus de Milo staat zonder armen: de toegetakelde vrouw. Die zigzagvloer die in de Twin Peaks-film Fire walk with me plots 90 graden gedraaid is. En alleen al dat rode gordijn, als ultieme herkenningspunt: de toegangspoort tot een andere wereld. In deze kamer verwijst Lynch ook naar heel wat andere kunstenaars. Naar The green room-schilderijenreeks van Edvard Munch, bijvoorbeeld. Of die zetels, naar een schilderij van Francis Bacon. Je kijkt ook naar zijn filmwerk zoals je naar een middeleeuws schilderij kijkt. Er wordt ingezoomd op een detail en achter dat detail gaat een hele wereld schuil. Lynch is naast regisseur ook zelf kunstschilder. Hij maakt onder meer prachtige litho’s. In Twin Peaks refereert hij op zijn typerende manier dikwijls aan andere kunstenaars. En vaak ontdek je dat pas nadat je meerdere keren hebt gekeken.’
‘Tijdens het schrijven heb ik ook droombeelden. Ik heb zelden heel concrete en vastomlijnde taferelen voor ogen. Een Deense vertaalster van mijn boeken vond dat alles juist moest zijn, en wees me erop dat bepaalde zaken qua ruimtelijke oriëntatie niet klopten. In die zin lijken de beelden die ik heb meer op een onrealistische droom dan op iets wat echt kan. Het mooiste compliment dat ik over een boek kan krijgen is: ik wil dat opnieuw lezen. Dat is exact wat ik metTwin Peaks en eigenlijk al het werk van David Lynch heb. Ik wil het elke keer opnieuw ontdekken. Omdat er simpelweg elke keer weer iets nieuws te ontdekken valt.’

Verschenen in De Standaard (30 september 2017).

HET BEELD: ANTOINE WIELEMANS

‘Garden’ (2015)
David Hockney

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: muzikant Antoine Wielemans (Girls In Hawaii).  

‘Op school volgde ik lessen kunstgeschiedenis. Hockneys collages en vooral zijn zwembadschilderijen – de manier waarop hij zwemmers in het water weergeeft, de optische vervormingen – kwamen toen al heel hard bij me binnen. Dit is een veel recenter werk. Het thema is simpel en banaal: een tuin. Maar die kleuren maken het zo bevreemdend. Hij verandert de realiteit. Het is alsof we allemaal samen in een lsd-trip zitten. Het heeft iets magisch en geruststellends, maar meer nog is het een visualisatie van het soort muziek dat ik wil maken. Toen Lionel en ik aan het nieuwe Girls In Hawaii album schreven en op zoek waren naar een concept of thema, gingen die gesprekken vaak over schilderijen. Van Henri Rousseau of David Hockney. Alsof we zo beter konden uitdrukken waar we heen wilden: muziek die daarop lijkt. Gevoelig, minimaal, schematisch. Gebaseerd op eenvoudige motieven, maar met felle fluorescerende kleuren in de vorm van synthesizergeluiden.’
‘In de muziek die we met Girls In Hawaii maken zit veel melancholie. Zelfs in de meer opzwepende nummers. We kunnen het niet helpen. Ook dat is iets wat ik in dit werk van Hockney terugvind en wat me er zo in aantrekt. De heldere schoonheid en vrolijkheid ervan, maar nooit zonder een waas van tristesse en melancholie. Dat contrast maakt het zo interessant. Ik sta ook op die manier in het leven. Die twee emoties staan voor mij niet per se los van elkaar. In de donkerste en verdrietigste momenten kan net de grootste schoonheid zitten. Niets is zwart-wit. Ik hou er bijvoorbeeld ook niet van dat kunst in stijlhokjes geduwd wordt. Ik zie in Hockney geen popartkunstenaar. Het gaat veel verder dan dat. Ik zie fauvisme, impressionisme, een kantje van Gauguin, iets romantisch. Het is net die combinatie die het werk zo interessant maakt.’
‘Ik woon nu in een appartement in Brussel en heb enkel een klein balkonnetje. Maar ik droom er wel van ooit een tuin te hebben. Geen stadstuintje tussen twee muren, maar een grote en weelderige. Met van die compleet verwilderde zones. Ik hou van buiten zijn, van de natuur in het algemeen. Het brengt me rust en werkt inspirerend. Toen mijn jongere broer Denis in 2010 verongelukte, kon ik het stadsleven niet meer aan. Ik voelde me er verloren. Een gevoel van moedeloosheid overviel me en de stad, iedereen die maar gewoon doorging met zijn leven, versterkte dat nog. Ik ben toen twee jaar in de Ardennen gaan wonen, in een klein dorpje. Daar vond ik rust. Het eerste jaar deed ik bijna niets. Ik wandelde. Ik keek naar koeien. Die stonden daar ook maar op het veld, te kakken en gras te eten en naar niets te staren. Dat voelde op dat moment voor mij troostend. Dat het zo simpel kan.’

Verschenen in De Standaard (23 september 2017).

HET BEELD: ARNE SIERENS

‘The Park’ (1971-1973)
Kohei Yoshiyuki 

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: theatermaker Arne Sierens. 

‘Ik kijk graag naar foto’s waar mensen op staan. Niet naar klassieke portretten, maar naar beelden van mensen die betrapt worden. Gepakt door de fotograaf. En daar is de Japanner Kohei Yoshiyuki een meester in. Voor deze reeks, The park, liep hij begin jaren 70 ’s nachts rond in parken in Tokio en fotografeerde daar koppels die in de bosjes aan het neuken waren. Op sommige foto’s zie je niet de koppels zelf, maar de voyeurs. Dan zie je een paar mensen op een rijtje voorovergebogen door de struiken gluren. Fantastisch.’
‘Zelf is hij natuurlijk ook voyeur. En wij als kijker ook. Het is iets wat we allemaal wel tof vinden, kijken naar anderen. Dat hoeft niet eens verborgen te zijn, of in het donker. Gewoon overdag en terwijl anderen jou ook zien, kan even boeiend zijn. Ik vind het zelf bijvoorbeeld heel inspirerend om in de tram of in de winkel te kijken naar hoe andere mensen zich gedragen, of te luisteren naar wat ze zeggen. Als theatermaker is dat dikwijls voedend. Vooral wat mensen met hun lichaam zeggen, vind ik interessant. Wanneer je aan de manier waarop iemand gebogen staat al ziet dat hij angstig is van aard. Soms ben ik weken aan het werken met een acteur rond hoe dat lijf precies op het podium moet staan. Ik noem mijn acteurs ­altijd atleten van het hart. Soms zegt de houding van een hand of de manier waarop knieën buigen meer dan een zin die uitgesproken wordt.’
‘Dat is ook exact wat mij in deze foto raakt. Die houdingen en de details. De kuit van die vrouw die zich opspant. Haar sacoche die daar nog op dat bankje staat. Die grote witte onderbroek. Yoshiyuki toont hier de mens zoals hij is. Alle maskers vallen af. Ongenadig is het. En toch zo ontroerend. Die vrouw zit daar zo goed als in haar bloot gat en toch gaat het hier niet over seks en louter lichamelijkheid. Zelfs de foto’s waarop je het mensen echt ziet doen met elkaar, hebben niets met pornografie te maken. Het blijft draaien om de liefde die twee mensen voor elkaar kunnen voelen. Over hoe we altijd weer op zoek gaan naar de ander. De paradox die in deze en de andere foto’s uit de serie zit, dat voyeurisme enerzijds en anderzijds dat hele pure en liefdevolle van de mens, heb ik nog bij geen enkele andere fotograaf zo treffend ervaren.’
‘De foto is ook technisch zeer sterk. Omdat hij ­deze beelden ’s nachts nam en vanop afstand, gebruikte hij een soort infraroodflash en een gigantische telelens. Alle beelden in deze reeks zijn in zwart-wit. Het effect is ongelooflijk: uit die zwarte nacht doemen witte aan elkaar friemelende mannen en vrouwen op. Het zijn net verlichte engelen.’

Verschenen in De Standaard (16 september 2017).