Categorie: P-MAGAZINE.BE

COLUMN: RAPPORTEN AAN DE FACEBOOK-FRIGO

De afgelopen dagen zat ik weer veel op Facebook. Man, wat zit ik veel op Facebook. Wanneer ik erg veel werk heb, zit ik op Facebook. Wanneer ik me voorneem om in de winkel ingrediënten te kopen waar ik een keer avondeten mee kan klaarmaken, zit ik op Facebook. Wanneer ik op het punt sta naar het zwembad te vertrekken om anderhalf uur aan mijn mooie lichaam te werken, zit ik op Facebook. Door Facebook zal ik altijd wel een mooi lichaam hebben maar nooit een onweerstaanbaar, eet ik voor avondeten alleen overrijpe kiwi’s, drink alleen goedkope roséwijn die mensen voor me meenemen en haal geen enkele deadline. Facebook wordt mijn ondergang.

Maar tot de tijd dat ik voorgoed ten onder ga weet ik wel erg veel dingen. Ik weet dat een vriendin van me die al lang geen vriendin meer is in een vliegtuig zit dat volgens de foto, houd u vast, vleugels heeft. Ik weet dat een collega van me vandaag elf komma drie kilometer heeft gelopen aan zes komma drie kilometer per uur, in een roze stretchshort. Ik weet dat veel mensen nog steeds denken dat u met een hoofdletter moet en dat Engelstalige liedjesteksten de medemens troosten. Ik weet dat het dochtertje van de slager uit het dorp waar ik opgroeide naar het derde middelbaar mag. Ik weet dat ze als beloning voor die grootse prestatie een dikke salamiworst kreeg.

Berichten van die laatste soort, daar werden we de laatste dagen toch mee om de oren geslagen. Wat was mij dat. Ons Anneliezelorelientje is geslaagd! Geslaagd in wat? Ze kan misschien te weten komen wat x is als y honderdendrie is – dat is zes trouwens, ik ben ook naar school geweest – maar ons Anneliezelorelientje gaat daar de buiken van kleine negertjes niet mee vullen. Oceano kreeg vandaag zijn zindelijkheidsdiploma! Op de foto zit Oceano op zijn potje en eet zijn kak op. Dat zal dan toch met delibereren geweest zijn.

Die kinderen van tegenwoordig krijgen al diploma’s voor ze hun eerste voet in een school hebben gezet. Op de ijskasten van jonge ouders hangen groentenpapbrevetten, kleuterdiploma’s en oorkonden voor beste schommelaar. Facebook is ook een soort ijskast. Tot die groentenpapvretende schommelkampioen naar het middelbaar gaat en daar ineens de ene buis na de andere verzamelt. Slechte rapporten, B- en C-attesten mogen niet aan de frigo. En al zeker niet aan de Facebook-frigo. Dan zijn de magneten plots op.

Ik zat op zes jaar tijd in drie scholen en behaalde in die tijd eens een B-attest, in het tweede middelbaar, en een C-attest, in het vijfde middelbaar. Ik moest een keer zakken en keer blijven zitten. Mijn moeder en vader waren blij dat er niet zoiets bestond als Facebook. Ze zeiden: stel je voor dat er iets als Facebook bestond, hoe zouden wij als gefaalde ouders het redden tussen al die ouders met hun geniale kroosten?

Ik heb geen kinderen en de kans dat ik ooit een kind heb is ongeveer even groot als de kans dat de paus op zijn balkon aan de tieten van een fotomodel likt en zegt dat het tijd is voor verandering. Maar heb ik op een dag bij groot toeval toch een kind, dan hoop ik dat het dikwijls faalt. Dat ik kan zeggen: kijk naar je moeder, vroeger een grote mislukking op school maar nu een rosédrinkende kiwiverslaafde die niet gaat zwemmen met haar mooie lichaam. Met jou komt het ook goed, kind. En dat zou ik dan op Facebook zetten.


Joke Van Caesbroeck is freelancejournaliste, dertig en van de vrouwelijke soort. Om de veertien dagen kunt u een column lang meekijken in haar hoofd. Daar is het soms gezellig, maar meestal niet.

Verschenen op P-magazine.be (4 juli 2017).

COLUMN: IK AT ZEEP DIE SMAAKT NAAR KORIANDER

Af en toe lees ik een krant. Wanneer het geen zaterdag of zondag is, lees ik nieuwsberichten niet op papier maar op een scherm. Wanneer het geen zaterdag of zondag is, moet ik om een echte krant te halen zeven minuten fietsen. Ik heb nooit zin om zeven minuten te fietsen. Tenzij er op zeven minuten fietsen per ongeluk een café zou staan waar men gratis bier serveert aan mensen die de moeite nemen om gedurende zeven minuten naar het café te fietsen. Dit is niet het geval.

Maar goed. Gisteren open ik dus een nieuwssite en lees ik daar een artikel waarin een jongeman zich erg boos maakt: ‘Het moet gedaan zijn met op al ons eten koriander te gooien!’ Hij zegt dat koriander smaakt naar zeep. Blijkt dat veertien procent van alle mensen vindt dat koriander smaakt naar zeep. Een of andere mutatie in een of ander gen. Ik stel me honderd mensen voor aan een tafel die vol koriander ligt. Veertien van die honderd mensen trekken hun kleren uit en beginnen zich te wassen. Of de vloer te dweilen. Want om welke zeepsoort het precies gaat, daar zwijgen die veertien dan weer in alle talen over. Zeep en zeep is twee hoor, hallo.

Ik durf het haast niet toe te geven. Ik heb nog nooit zeep gegeten. Ik weet niet hoe zeep smaakt. Totaal wereldvreemd ben ik. Maar ik maak er een punt van mijn medemens te begrijpen, ook de medemens met genmutaties. Ik fiets naar de Delhaize. De Delhaize ligt op zeven minuten fietsen. Ik heb alweer geen zin om zeven minuten te fietsen. Maar af en toe moet je eens wat tegen je zin doen. Om nieuwe dingen te ontdekken en niet nog wereldvreemder te worden. Om de medemens met genmutaties te snappen.

Ik neem een bakje verse koriander en drie soorten zeep uit de rekken. Eentje voor het lichaam, eentje voor de intieme zone en eentje voor parketvloeren. Het meisje aan de kassa kijkt naar mijn koopwaar op de band, glimlacht samenzweerderig en kijkt me aan. Ze zegt: ‘Spaart u voor de roestvrije vleestang?’

Thuis vul ik een glas met parketzeep en een ander glas met intieme zeep. Op een bord leg ik een stuk van de blok lichaamszeep. Eerst proef ik de koriander. Het smaakt goed. Het smaakt naar koriander. Daarna neem ik een slok intieme zeep. Ik spuug het spul onmiddellijk uit. Ik ben vast lactacydintolerant. Ik wals de parketzeep en ruik. Ik nip aan het glas en laat de parketzeep rondgaan in mijn mond. Hinten van Honey Pops, oud zweet en overbevissing. In de afdronk een lichte houttoets. Massief. Ik gooi het stuk lichaamszeep omhoog en vang het op met open mond. Ik kauw. En dan smaak ik het. Koriander. Snel slik ik het stuk zeep door en proef van de koriander. Het smaakt niet naar het stuk lichaamszeep. Ik eet nog een stuk lichaamszeep. Het smaakt naar koriander.

Ik moet naar de dokter. Ik maak me zorgen. Ik at zeep die smaakt naar koriander. Een gen van me muteert. Het is zeven minuten fietsen naar de dokter. Ik heb geen zin om zeven minuten te fietsen.

Joke Van Caesbroeck is freelancejournaliste, dertig en van de vrouwelijke soort. Om de veertien dagen kunt u een column lang meekijken in haar hoofd. Daar is het soms gezellig, maar meestal niet.

Verschenen op P-magazine.be (16 juni 2017).

COLUMN: POEPINCIDENT

Ondanks het poepincident. Dat zei een nieuwslezeres gisterenavond. Ik zat in de zetel met mijn konijn. We aaiden elkaar en aten chips. We keken naar het journaal. We hadden geen zin om op café te gaan.
Mijn konijn kijkt graag naar het journaal. Aanslagen vindt ze het leukste. Soms ben ik bang dat mijn konijn gaat radicaliseren. Ik houd haar baardgroei goed in de gaten.

Al het bommennieuws was al gepasseerd. Mijn konijn begon zich stilaan te vervelen, haar ogen vielen ervan toe, de mijne deden mee. Tot de nieuwslezeres het zei: ondanks het poepincident. Klaarwakker waren we ineens. We keken elkaar aan. Poepincident? Wie poepincident? Waar poepincident? Ik zei: ik hoop Joke Schauvliege! Mijn konijn zei: ik hoop in Syrië!
Het nieuwsitem speelde zich af in Maastricht. Het poepincident overkwam een wielrenner. Een Nederlander die een rondewedstrijd won en zich voor de gelegenheid helemaal in het roze had uitgedost om in zijn geboortestad applaus te ontvangen. Er stonden veel mensen. Luid gejoel, roze confetti in de lucht. Nederlanders zijn echt een vrolijk volk.

In Vlaanderen had die jongen gewoon Tom Vandermeulen geheten. Nederlanders hebben dikwijls een gekke achternaam. Tom Dumoulin, haha! De jongeman was op een klim in een etappe van zijn fiets moeten stappen omdat hij dringend moest kakken. Fiets weggooien, dat onhandige wielerpakje uit, naakt in de gracht gaan zitten en kakken maar. Wel met zicht op de bergen.
Ik begreep het helemaal. Een paar jaar geleden vierde ik oudejaar in de Kraukause stad Krakau. Ik keerde naar België terug met een kofferbak vol wodka en darmen vol salmonella. Twee weken lang het ene poepincident na het andere. Ik kakte overal, behalve in toiletten. Op het einde van de twee weken kakte ik eens net voor het toilet. Toen was ik bijna genezen.
Mijn konijn kan ook zeer goed kakken. Ik maakte haar zindelijk en slaagde daar zoals in alles maar half in. Vaak kakt mijn konijn in het konijnentoilet, komt dan weer naar binnen, nestelt zich op het vals schapentapijt in mijn woonkamer en beslist daar dat ze nog een beetje verder gaat kakken. Mijn vals schapentapijt is hoogpolig, ik kan er de poepincidenten uit knippen.

Deze hele tekst leek misschien een column te gaan worden over een leuk actuafeitje, een wielrenner die kostbare minuten verloor omdat hij moest kakken. Een wielrenner die ondanks het poepincident de wedstrijd won. Maar alles wat u hiervoor las was enkel een inleiding op de enige vraag die ons allen bezighoudt. Wie o wie is de kaka van Tom Dumoulin na het poepincident gaan oprapen? In wiens verzamelkast ligt de kaka van Tom Dumoulin tussen bidons met speeksel van Tom Dumoulin en petjes geurend naar het opgedroogde zweet van Tom Dumoulin? Mij maak je niet wijs dat niemand die kaka is gaan zoeken. Het is een collector’s item. Ik versta het. Maar, eerlijke zoeker, deze in column vermomde oproep is aan u gericht: ga naar Krakau, neem een konijn, creëer uw eigen poepincidenten, maar geef alstublieft Tom Dumoulin zijn kak terug.

Joke Van Caesbroeck is freelancejournaliste, dertig en van de vrouwelijke soort. Om de veertien dagen kunt u een column lang meekijken in haar hoofd. Daar is het soms gezellig, maar meestal niet.

Verschenen op P-magazine.be (1 juni 2017).

COLUMN: ZAK

Ik adem tegenwoordig meer in een papieren zak dan niet in een papieren zak. Ik heb dat nu ook altijd bij, een papieren zak. Gekregen van een vriendin die de zak op haar beurt kreeg van haar moeder. Mijn vriendin durft daags na het drinken weleens over te geven in de auto. Zonder zak maakt dat vieze plekken. En het is ook geen gezicht. De zak is gelukkig nog niet door haar gebruikt, dus kan ik er in ademen. In en uit, in en uit. Het is overal iets. Gelukkig zijn er zakken.

Ik doe veel dingen mis. Ademen doe ik nu ook al verkeerd. Wie zou nu denken dat een mens iets dat zo simpel en basaal is als ademen verkeerd kan doen. Dat is in feite het toppunt van verkeerdheid: compleet de mist ingaan met iets waar je niet eens over hoeft na te denken. Alsof je op een dag wakker zou worden en ineens scheel zou kijken. Gans verkeerd. Ik ben blij dat ik dat niet voorheb. Dat is dubbel zo erg.
Eerst dacht ik dat ik een hartaanval kreeg. Op zich was ik bereid te sterven, daar niet van, maar ik dacht de ganse tijd: hoe belachelijk is dit, een hartaanval op dertig jaar. Ze gaan zeker een autopsie doen, want dat is toch niet normaal, een hartaanval op dertig jaar. En als ze een autopsie doen, wat gaan ze dan niet allemaal vinden in mijn lijf? Al die drank. Al die sigaretten. Al die pizza’s. Zo erg. Ze gaan toch wel zien dat ik ook al eens gaan joggen ben en af en toe ook boontjes en komkommers eet? Zo erg voor mijn ouders. Zij gaan zich schamen voor mij en nog meer voor mijn dood.
Maar ik bleef dus leven. En ik ontdekte de zak.

Onlangs ging ik met een groep vrouwen en een zak in mijn sacoche op vrijgezellenweekend. Eén van mijn vriendinnen, niet die van de overgeefzak, gaat namelijk trouwen. Om haar geloof in de liefde te vieren, wilde ze graag een stripper. Een van de vrouwen die het vrijgezellenweekend organiseerde surfte op haar werk naar stripperhuren punt be.  Ik denk stiekem. Ze boekte een donkere man, zijn naam was El Grande. Toen hij de kamer binnenkwam, werd duidelijk waarom. Het was inderdaad een vrij grote man. Maar te donker om van Spanje te komen, vond ik. Misschien was hij geadopteerd. We kregen niet eens de kans om dat te vragen. El Grande zette een muziekje op en begon zich uit te kleden. Wat daar onder zijn boxershort zat te spannen, was van een ongezien formaat. Het topje kwam bijna onder de short uit piepen. El Grande deed de boxershort uit en wij hapten allemaal naar adem. Niet verkeerd. De zak van El Grande bungelde voor onze ogen, maar mijn zak bleef in mijn sacoche.

Die mens kan daar ook niet aan doen. Een lijf is een lijf. Je kan het niet kiezen en ook niet commanderen. Anders was dat hele kankergedoe ook al opgelost geweest. Gepardonneerd, vieze vuile celletjes, zouden jullie wel eens willen maken dat jullie wegkomen? En dat de kanker dan samen met je kaka je lichaam verlaat. Hupla, die kanker is ook weer doorgespoeld. Maar ja, zo werkt dat niet. Een lijf doet wat het wil. Als het je ziek wil maken, maakt het je ziek. Als er een gigantisch geslachtsorgaan aanhangt, dan hangt er een gigantisch geslachtsorgaan aan. En als het ineens beslist om vanaf vandaag verkeerd te beginnen ademen, dan begint het vanaf vandaag verkeerd te ademen. Door stress, paniek of angst. Dat zei die dokter tegen mij. Ik zei, dokter, ik zit de hele dag in mijn huis met mijn pyjamabroek aan en ik typ tekstjes. Echt superstresserend is het niet. Blijft over: paniek of angst. Ik zou niet weten door wat of van wat. Als het buitenproportionele geslachtsdeel van een stripper me niet verkeerd doet ademen, wat dan in godsnaam wel?

Misschien kom ik er nooit achter. Misschien begint mijn lijf op een dag vanzelf weer juist te ademen. We zullen het merken. In de tussentijd is er altijd nog de zak.

Joke Van Caesbroeck is freelancejournaliste, dertig en van de vrouwelijke soort. Om de veertien dagen kunt u een column lang meekijken in haar hoofd. Daar is het soms gezellig, maar meestal niet.

Verschenen op P-magazine.be (15 mei 2017).

COLUMN: MET PLOOIEN EN AL

Vroeger deed ik bloot de strijk. Ik ben daarmee gestopt. Met strijken bedoel ik. En dus ook met bloot strijken. De afgelopen jaren ben ik met een aantal dingen gestopt. Ik ben gestopt met mijn verstand te gebruiken, ik ben gestopt met niet meer teveel drinken en ik ben gestopt met strijken.

Mijn moeder leerde mij strijken. Zakdoeken. Wie strijkt nu in godsnaam zakdoeken. Die dienen gewoon om uw neus in te snuiten hoor. Ten hoogste om ergens aan de kant van de weg achter een struik en met een sluitspier die dienst weigert uw gat mee af te vegen. Ik heb dat soms voor als ik vettig heb gegeten op verplaatsing. Nog nooit heb ik mij dan afgevraagd: zeg, waarom is die zakdoek niet gestreken? Mijn moeder strijkt zélf niet eens haar zakdoeken. Ik wist zelfs niet dat wij dat hadden, zakdoeken! Ze waren er gewoon ineens, toen mij de kunst van het strijken moest aangeleerd worden. Om van mij een goede vrouw te maken. Ik kan u al verklappen dat dat mislukt is, maar aan mijn moeder en haar zakdoeken heeft dat alleszins niet gelegen.

Mijn eerste lief studeerde voor dokter. Hij wilde er de hele tijd goed voorkomen en droeg van die geruite hemdjes met korte mouwen. Spuuglelijk maar ja, liefde maakt blind. Eerste liefde stekeblind. Na een dik half jaar begon het mij ineens te dagen: ik ga toch godverdomme zijn hemden niet moeten strijken zeker later? Hij zei van wel. Ik heb hem meteen buitengegooid. Afijn, niet letterlijk, want wij hadden elk ons eigen kot, maar ik zei dat hij moest kiezen. Ik of zijn hemden. Hij koos voor zijn hemden. Dat was dan dat. Salu en de strijk.

Maar u vraagt zich natuurlijk af waarom ik dat bloot deed, strijken. Ik ontdekte per ongeluk dat dat toffer is dan strijken met kleren aan. Ik had eens de was gedaan, de was opgehangen om te laten drogen en daarna nog een was ingestoken. Daardoor had ik geen kleren meer om aan te doen. Ik dacht foert! Ik strijk bloot! En dat voelde goed aan. Als iets goed aanvoelt, doet een mens dat dikwijls nog eens. En daarna nog eens. Dat is de aard van onze soort. Achteraf bekeken kon ik natuurlijk ook eerst een niet gestreken kledingstuk aantrekken, een ander kledingstuk strijken en dan wisselen van outfit. Maar ik was toen al gestopt met mijn verstand te gebruiken.

Toen ik nog bloot streek, woonde ik in een appartement. Op de derde verdieping. Door het grote schuifraam keek ik uit op een klas, het tweede of derde leerjaar, wie ziet daar het verschil tussen. En zij keken uit op mij. Het is te zeggen: op mijn bloot gat, elke dinsdagvoormiddag. Ik streek op dinsdagvoormiddag. Een goede vrouw heeft structuur. Die kinderen vonden dat niet raar. Kinderen zien ganse dagen het bloot gat van een volwassen vrouw. Die lopen badkamers te pas en te onpas binnen en buiten en kruipen met hun moeders in de kotjes van de zwemkom. Die kijken echt niet meer op van een bloot gat meer of minder.

Vorig jaar ben ik in een huis gaan wonen, het huis staat in een gemengde buurt. Hier wandelen kinderen voorbij, maar ook volwassenen, van over gans de wereld. Mijn bloot gat wordt hier minder geäpprecieerd. Volgens mij strijken ze in het buitenland niet bloot. Toen ik hier een week woonde, lag er een briefje in de hal. Met de hand geschreven. Er stond: please wil gij niet naked strike doen. Toen ben ik ermee gestopt. Goede buren zijn beter dan verre vrienden. Ook van mijn moeder geleerd. Als ik niet meer bloot mocht strijken, dan wilde ik niet meer strijken tout court. Sinds die dag moet iedereen mij maar nemen zoals ik ben. Met plooien en al.

Joke Van Caesbroeck is freelancejournaliste, dertig en van de vrouwelijke soort. Om de veertien dagen kunt u een column lang meekijken in haar hoofd. Daar is het soms gezellig, maar meestal niet.

Verschenen op P-magazine.be (1 mei 2017).