Pagina 2 van 15

HET BEELD: JOHANNES GENARD

‘Waiting (for meaning)’ (1988)
Marlene Dumas

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: muzikant Johannes Genard (School is Cool). 

‘Ik kwam dit werk een paar jaar geleden tegen op een retrospectieve tentoonstelling van Marlene Dumas in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Ik zat toen in een nogal moeilijke periode. Ik kon al een hele tijd geen songs meer schrijven. Alle inspiratie leek verdwenen. Ik voelde me een wannabe muzikant. En op dat moment stootte ik op dit schilderij.’
‘De titel alleen al, Waiting (for meaning), trof me. Het gaf perfect weer hoe ik me op dat moment voelde. Ik denk zelfs dat het goed verbeeldt wat een hele generatie, mijn generatie, voelt. Veel van de oude referentiekaders zijn verdwenen. De keuzes en vrijheden vandaag zijn gigantisch. Maar dat maakt betekenis geven aan je leven of aan de dingen die je doet er niet per se gemakkelijker op. In de supermarkt staan zoveel soorten melk dat je geen idee meer hebt welke melk je moet kiezen. In dat opzicht is dit werk, dat trouwens geschilderd werd in mijn geboortejaar, heel hedendaags.’
‘Is het een tafel waar de vrouw op ligt? Een altaar, een doodskist? Ik weet het niet. Maar de passiviteit druipt ervan af. Ze ligt daar gewoon, met moedeloos bungelende benen. Voor mij staat dit werk voor pure gelatenheid. Immobiliteit. Ik weet niet of Dumas het zo bedoelde, maar ik interpreteer het zo: je kunt niet wachten op betekenis. Die komt niet zomaar ineens. Je moet het zelf doen. Je moet zelf betekenis geven.’
‘Toen president Trump naar Brussel kwam, zei ik op Facebook dat ik mee wilde gaan betogen. De reactie die ik vaak kreeg was: waarom? Waarom zou je met borden aan je lijf en dingen scanderend over straat lopen als dat uiteindelijk toch allemaal niet uitmaakt? Die reactie is exact waarom het inderdaad vaak niet uitmaakt. Iedereen heeft tegenwoordig een politieke mening en verkondigt die ook graag luid, maar haast niemand past ze nog toe. Ook daar zit een zekere gelatenheid in. Een wachten op. Het liefste wil ik daar niet in meegaan. Dit schilderij staat zelfs ingesteld als achtergrond op mijn laptop, als een soort waakhond voor die gelatenheid.’
‘Betekenis kan ook veranderen. Dat heb ik bijvoorbeeld gemerkt tijdens het maken van het derde album van School Is Cool. Vroeger wilde ik heel conceptuele platen maken. Met liedjes die over bepaalde thema’s gaan en per se iets moesten vertellen. Nu was ik in de eerste plaats al blij dat ik nieuwe nummers kón schrijven. En de betekenis zit hem nu veel meer in de muziek zelf. Het ontstaan ervan, maar ook het samen spelen met de band en het spelen voor andere mensen. Dat het ook gewoon dat kan zijn, is heel bevrijdend en tegelijkertijd beangstigend. Want hoe vrijer je je voelt, hoe minder beperkingen je jezelf oplegt, hoe meer die gelatenheid die ik zo vrees om de hoek loert.’
‘Als je alles kan doen, doe je dikwijls niets. Ik heb ontdekt dat het voor mij nu meer draait om het delen. Delen met mensen. De mensen met wie ik samen speel. De mensen voor wie we spelen. Mijn vriendin. Want de liefde, dat is misschien wel de ultieme en meest betekenisvolle expressie van de mensheid.’

Verschenen in De Standaard (14 oktober 2017).

HET BEELD: GILLES COULIER

‘Psycho’ (1960)
Alfred Hitchcock

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: regisseur Gilles Coulier. 

‘Ik ben een schijtluis als het gaat over horrorfilms en stevige thrillers. Als kind, ik moet een jaar of acht geweest zijn, keek ik eens naar een film over een jongetje dat gekidnapt werd door ­aliens. Dat heeft zo’n impact op me gehad, dat ik drie jaar slecht heb geslapen. Ik weet tot vandaag niet om welke film het ging en hoef het zelfs niet te weten. Zo erg was het. Toen ik al wat ouder was, keken we met de scouts in een bos naar The Blair Witch Project. Ook dat vond ik echt angstaanjagend. Zelfs vandaag zouden ze me dat niet moeten aandoen.’
Psycho zag ik voor het eerst toen ik al op de filmschool zat. Ik ben pas vrij laat de grote filmklassiekers beginnen te bekijken. Ik keek er onbevangen naar, het analyseren kwam pas achteraf, en vond het een fantastische film. Visueel – als je naar dit beeld kijkt, zie je meteen waarom – maar ook qua verhaal. Ik was van begin tot eind geboeid. Ik had pas later door waarom. Door dit beeld. Door wat hier, op dit moment, in de film gebeurt. De douchescène in Psycho is allicht de bekendste, maar het is deze scène die van Hitchcock voor mij een geniale regisseur maakt. Bij het schrijven van een scenario is de eerste en belangrijkste regel: empathie creëren voor het hoofdpersonage. Kijkers moeten kunnen meeleven, mee vóélen, met dat personage. En wat doet Hitchcock hier, in 1960? Hij laat zijn hoofdpersonage vermoorden. Wereldschokkend was dat. Nooit gezien. En dan die meesterlijke zet. De moordenaar legt het lijk in de koffer van de wagen en wil hem in het moeras duwen. Maar de auto blijft steken in plaats van te verdwijnen. Door die auto iets onnozels te laten overkomen, ontstaat er een nieuw hoofdpersonage waar de kijker empathie voor kan voelen: want, fuck, die auto zinkt niet, hoe gaat die moordenaar dát oplossen?’
‘Als filmmaker vertel ik graag kleine verhalen van gewone mensen. Maar ook ik worstel met de empathievraag. Hoe kan ik een stille visser die niet in staat is om over emoties te praten toch zo neerzetten dat mensen met hem meeleven? Het is de belangrijkste, maar ook de moeilijkste vraag als je schrijft. Dit beeld toont heel mooi aan dat er achter een shot een hele filosofie schuilgaat. Intussen is het een gekende filmtruc. Wij, regisseurs en scenarioschrijvers, proberen dat nu allemaal. Maar Hitchcock, die dééd dat gewoon.’

Verschenen in De Standaard (7 oktober 2017).

OP HET PERRON.

Veertig minuten te vroeg sta ik op perron drie. Gisteren las ik in de regionale krant dat in Merelbeke een verdelgingsactie tegen de reuzenberenklauw aan de gang is omdat de plant inheemse soorten overwoekert en brandwonden kan veroorzaken. Ik heb nog drie sigaretten. Bij mijn ouders vroeger had ik een tuin maar daar stonden alleen maar struiken in.
Ik kijk op de rug van een man. Hij rookt als een Turk. Ineens zit de wind verkeerd. Hij draait zich om. Het is een Turk. Het regent.
In mijn huis staat een exotische plant. Hij overwoekert niets. Hij was gewoon de goedkoopste. De zon begint te schijnen en ik denk aan mijn plant. Hij voelt zich vast weer thuis.
Op perron vier stapt een jongen uit met losse veters en een bos bloemen. Hij valt niet. In de tuin van mijn ouders maakten we eens een regenboog met de tuinslang.
De trein rijdt het station binnen. Ik ben nog altijd bang dat ik hem zal missen.

WINKELSTRAATGEDICHT.

Ik liep net door een drukke winkelstraat. Mijn schoenen zijn kapot. Ik heb nieuwe schoenen nodig. Ik vind door een drukke winkelstraat lopen vreselijk omdat er veel mensen zijn en omdat ik er ongewild gedichten maak. Je hoort in een drukke winkelstraat slechts halve zinnen. Die hoef je alleen maar tot thuis te onthouden. Ik heb geen schoenen gevonden. Ik heb er ook geen gekocht. Ik passeerde wel veel volk.

volgende week ga ik naar
hier ben ik ontmaagd
alles is lelijk
en daarnet regende het nog
kalf
wat gaan we nu doen
het was Bruno
hij staat op ons te wachten

HET BEELD: ANNELIES VERBEKE

The Red Room uit ‘Twin Peaks’ (2017)
David Lynch

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: schrijfster Annelies Verbeke.

‘Ik was een jaar of zeventien toen de eerste seizoenen van Twin Peaks bij ons op de televisie kwamen. Niemand had ooit zoiets gezien. Een reeks met zoveel ­lagen. De vreemdheid ervan. Die hele symbolenwereld. Ik vond het fantastisch. Angstaanjagend en intrigerend tegelijkertijd. Ik las in die tijd ook het boek The secret diary of Laura Palmer – om er helemaal in te zitten. Onlangs kwam er een nieuw seizoen uit, 25 jaar na het eerste. Ik zag die eerste twee afleveringen en de tranen rolden over mijn wangen. Omdat het nog beter was dan ik had verwacht, maar ook omdat ik ineens besefte: niet alleen Dale Cooper en Laura Palmer zijn 25 jaar ouder geworden, ik ook.’
‘Deze still van The Red Room, of Waiting Room, verbonden met de Black Lodge en de White Lodge, illustreert perfect de dromenwereld vol illusies die David Lynch in Twin Peaks schetst. Het is de plaats van de dubbelganger. De plek waar Dale Cooper een kwaadaardige afsplitsing krijgt. Wat de acteurs in die kamer zeggen, spraken ze achterstevoren in, waarna het opnieuw achterstevoren werd afgespeeld, waardoor je dat rare Engels krijgt. De symboliek van die kamer is enorm. Die Venus de Medici mét armen die staat voor de verlegenheid en schaamte van de vrouw, terwijl in de gang wat verderop een Venus de Milo staat zonder armen: de toegetakelde vrouw. Die zigzagvloer die in de Twin Peaks-film Fire walk with me plots 90 graden gedraaid is. En alleen al dat rode gordijn, als ultieme herkenningspunt: de toegangspoort tot een andere wereld. In deze kamer verwijst Lynch ook naar heel wat andere kunstenaars. Naar The green room-schilderijenreeks van Edvard Munch, bijvoorbeeld. Of die zetels, naar een schilderij van Francis Bacon. Je kijkt ook naar zijn filmwerk zoals je naar een middeleeuws schilderij kijkt. Er wordt ingezoomd op een detail en achter dat detail gaat een hele wereld schuil. Lynch is naast regisseur ook zelf kunstschilder. Hij maakt onder meer prachtige litho’s. In Twin Peaks refereert hij op zijn typerende manier dikwijls aan andere kunstenaars. En vaak ontdek je dat pas nadat je meerdere keren hebt gekeken.’
‘Tijdens het schrijven heb ik ook droombeelden. Ik heb zelden heel concrete en vastomlijnde taferelen voor ogen. Een Deense vertaalster van mijn boeken vond dat alles juist moest zijn, en wees me erop dat bepaalde zaken qua ruimtelijke oriëntatie niet klopten. In die zin lijken de beelden die ik heb meer op een onrealistische droom dan op iets wat echt kan. Het mooiste compliment dat ik over een boek kan krijgen is: ik wil dat opnieuw lezen. Dat is exact wat ik metTwin Peaks en eigenlijk al het werk van David Lynch heb. Ik wil het elke keer opnieuw ontdekken. Omdat er simpelweg elke keer weer iets nieuws te ontdekken valt.’

Verschenen in De Standaard (30 september 2017).

KAAL.

Het liefste wilde ik van nature kaal zijn. Af en toe vallen haren van me uit maar nooit genoeg om kaal te worden. Ik schiet op vele vlakken tekort. Ik heb mijn konijn achtergelaten. Voor tweehonderd euro verkocht ik mijn fiets aan een advocate. Er schiet nog vijf euro van over. Bij HEMA kan ik er een fietslicht mee kopen. Ik kan niet kiezen tussen rood en wit. Ik koop twee pakken hapjes met kaas in. Onderweg naar huis krijg ik een sms van de advocate. Ze schrijft: Ik ga dit weekend in de bossen fietsen. Terwijl de hapjes in de oven zitten scheer ik onder de douche mijn hoofd kaal. In de zetel steek ik twee kaashapjes in mijn mond. Ik sms de advocate terug dat ik de natuur overroepen vind en aai mijn kale hoofd.

HET BEELD: ANTOINE WIELEMANS

‘Garden’ (2015)
David Hockney

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: muzikant Antoine Wielemans (Girls In Hawaii).  

‘Op school volgde ik lessen kunstgeschiedenis. Hockneys collages en vooral zijn zwembadschilderijen – de manier waarop hij zwemmers in het water weergeeft, de optische vervormingen – kwamen toen al heel hard bij me binnen. Dit is een veel recenter werk. Het thema is simpel en banaal: een tuin. Maar die kleuren maken het zo bevreemdend. Hij verandert de realiteit. Het is alsof we allemaal samen in een lsd-trip zitten. Het heeft iets magisch en geruststellends, maar meer nog is het een visualisatie van het soort muziek dat ik wil maken. Toen Lionel en ik aan het nieuwe Girls In Hawaii album schreven en op zoek waren naar een concept of thema, gingen die gesprekken vaak over schilderijen. Van Henri Rousseau of David Hockney. Alsof we zo beter konden uitdrukken waar we heen wilden: muziek die daarop lijkt. Gevoelig, minimaal, schematisch. Gebaseerd op eenvoudige motieven, maar met felle fluorescerende kleuren in de vorm van synthesizergeluiden.’
‘In de muziek die we met Girls In Hawaii maken zit veel melancholie. Zelfs in de meer opzwepende nummers. We kunnen het niet helpen. Ook dat is iets wat ik in dit werk van Hockney terugvind en wat me er zo in aantrekt. De heldere schoonheid en vrolijkheid ervan, maar nooit zonder een waas van tristesse en melancholie. Dat contrast maakt het zo interessant. Ik sta ook op die manier in het leven. Die twee emoties staan voor mij niet per se los van elkaar. In de donkerste en verdrietigste momenten kan net de grootste schoonheid zitten. Niets is zwart-wit. Ik hou er bijvoorbeeld ook niet van dat kunst in stijlhokjes geduwd wordt. Ik zie in Hockney geen popartkunstenaar. Het gaat veel verder dan dat. Ik zie fauvisme, impressionisme, een kantje van Gauguin, iets romantisch. Het is net die combinatie die het werk zo interessant maakt.’
‘Ik woon nu in een appartement in Brussel en heb enkel een klein balkonnetje. Maar ik droom er wel van ooit een tuin te hebben. Geen stadstuintje tussen twee muren, maar een grote en weelderige. Met van die compleet verwilderde zones. Ik hou van buiten zijn, van de natuur in het algemeen. Het brengt me rust en werkt inspirerend. Toen mijn jongere broer Denis in 2010 verongelukte, kon ik het stadsleven niet meer aan. Ik voelde me er verloren. Een gevoel van moedeloosheid overviel me en de stad, iedereen die maar gewoon doorging met zijn leven, versterkte dat nog. Ik ben toen twee jaar in de Ardennen gaan wonen, in een klein dorpje. Daar vond ik rust. Het eerste jaar deed ik bijna niets. Ik wandelde. Ik keek naar koeien. Die stonden daar ook maar op het veld, te kakken en gras te eten en naar niets te staren. Dat voelde op dat moment voor mij troostend. Dat het zo simpel kan.’

Verschenen in De Standaard (23 september 2017).

HET BEELD: ARNE SIERENS

‘The Park’ (1971-1973)
Kohei Yoshiyuki 

Elke zaterdag toont iemand ons zijn favoriete beeld: het werk dat altijd opnieuw beroert, troost of inspireert. Vandaag: theatermaker Arne Sierens. 

‘Ik kijk graag naar foto’s waar mensen op staan. Niet naar klassieke portretten, maar naar beelden van mensen die betrapt worden. Gepakt door de fotograaf. En daar is de Japanner Kohei Yoshiyuki een meester in. Voor deze reeks, The park, liep hij begin jaren 70 ’s nachts rond in parken in Tokio en fotografeerde daar koppels die in de bosjes aan het neuken waren. Op sommige foto’s zie je niet de koppels zelf, maar de voyeurs. Dan zie je een paar mensen op een rijtje voorovergebogen door de struiken gluren. Fantastisch.’
‘Zelf is hij natuurlijk ook voyeur. En wij als kijker ook. Het is iets wat we allemaal wel tof vinden, kijken naar anderen. Dat hoeft niet eens verborgen te zijn, of in het donker. Gewoon overdag en terwijl anderen jou ook zien, kan even boeiend zijn. Ik vind het zelf bijvoorbeeld heel inspirerend om in de tram of in de winkel te kijken naar hoe andere mensen zich gedragen, of te luisteren naar wat ze zeggen. Als theatermaker is dat dikwijls voedend. Vooral wat mensen met hun lichaam zeggen, vind ik interessant. Wanneer je aan de manier waarop iemand gebogen staat al ziet dat hij angstig is van aard. Soms ben ik weken aan het werken met een acteur rond hoe dat lijf precies op het podium moet staan. Ik noem mijn acteurs ­altijd atleten van het hart. Soms zegt de houding van een hand of de manier waarop knieën buigen meer dan een zin die uitgesproken wordt.’
‘Dat is ook exact wat mij in deze foto raakt. Die houdingen en de details. De kuit van die vrouw die zich opspant. Haar sacoche die daar nog op dat bankje staat. Die grote witte onderbroek. Yoshiyuki toont hier de mens zoals hij is. Alle maskers vallen af. Ongenadig is het. En toch zo ontroerend. Die vrouw zit daar zo goed als in haar bloot gat en toch gaat het hier niet over seks en louter lichamelijkheid. Zelfs de foto’s waarop je het mensen echt ziet doen met elkaar, hebben niets met pornografie te maken. Het blijft draaien om de liefde die twee mensen voor elkaar kunnen voelen. Over hoe we altijd weer op zoek gaan naar de ander. De paradox die in deze en de andere foto’s uit de serie zit, dat voyeurisme enerzijds en anderzijds dat hele pure en liefdevolle van de mens, heb ik nog bij geen enkele andere fotograaf zo treffend ervaren.’
‘De foto is ook technisch zeer sterk. Omdat hij ­deze beelden ’s nachts nam en vanop afstand, gebruikte hij een soort infraroodflash en een gigantische telelens. Alle beelden in deze reeks zijn in zwart-wit. Het effect is ongelooflijk: uit die zwarte nacht doemen witte aan elkaar friemelende mannen en vrouwen op. Het zijn net verlichte engelen.’

Verschenen in De Standaard (16 september 2017).

POSTEN.

In mijn nieuwe vaste sigarettenwinkel koop ik twee postzegels en een koek. De vrouw achter de toog vraagt of ze de postzegels al op mijn brief mag kleven. Ik zeg dat het mag. Ik wil vriendelijk zijn voor mijn nieuwe buren. Zeker voor de buren die sigaretten, postzegels en koeken in huis hebben. Achter me staat een man met twee blikjes bier in zijn handen. In deze sigarettenwinkel kan je ook bier kopen. Hij roept naar de vrouw achter de toog dat hij morgen komt betalen en loopt naar buiten.
De vrouw achter de toog van mijn nieuwe vaste sigarettenwinkel vraagt waar ik mijn brieven post. Wanneer ik haar naar waarheid antwoord, schudt ze heftig met haar hoofd. Ze zegt dat de brievenbus waar ik mijn brieven in post door dronken mensen wordt gebruikt om in over te geven en hamburgers waar ze geen zin meer in hebben in weg te gooien. Ze tipt me een andere brievenbus. Daarna vraagt ze of ik ook haar brief daar wil posten. Ik zeg van wel. Qua vriendelijk zijn voor mijn nieuwe buren ben ik een echte volhouder. Ik vraag aan de vrouw of ik ook morgen mag betalen. Het mag niet.
Ik post mijn brief in de brievenbus waar niet in overgegeven wordt. Daarna loop ik naar de frituur, koop een hamburger, kauw de hamburger in mijn mond tot pap en wrijf de brief van de vrouw die mijn nieuwe vaste sigarettenwinkel uitbaat in met de pap. Ik post de brief in de brievenbus waar mijn eigen brief bijna in was terechtgekomen.

OMGEKEERD.

Staand op mijn hoofd in de hoek van de woonkamer vraag ik me af of ik niet eens op zoek moet naar echt werk. Mijn hielen leunen tegen de muur. Ik heb geen zwaartepunt. Ik heb de muren nodig, ook al staan die vol plekken. Wanneer ik op mijn hoofd in de hoek van de woonkamer sta verdwijnen de plekken niet.
Elke dag zit ik in mijn huis. Af en toe praat ik in mijn telefoon of tegen de cactus. Van wat zij tegen me terugzeggen maak ik stukjes tekst. Af en toe spuug ik uit het raam. Af en toe ga ik op mijn hoofd staan. Af en toe probeer ik omgekeerd een kiwi te eten of een glas cava te drinken. Een paar flessen cava en een kiwi of vijf is wat ik verdien met praten en daar stukjes tekst van maken.
Ik sta op mijn hoofd. Ik sta omgekeerd. Ik wil echt werk. Ik wil staken. Biobananen.
Ik hoop dat dit stukje leesraab is. Ik schrijf het omgekeerd. Mijn hoofd begint te gloeien. Iemand gooit een radijs door mijn raam.