bovenburen

Mijn nachtrust wordt gemiddeld twee keer per week door de bovenburen naar de verdoemenis geneukt. Elke avond kijk ik voor ik ga slapen op YouTube naar mensen die vallen. Ik kan het iedereen aanraden, van vallende mensen val je zelf zielsgelukkig in slaap. Gemiddeld twee keer per week word ik abrupt uit die gelukzalige slaap gerukt. Ik vond rukken een passend werkwoord om in de voorgaande zin te vervoegen.
De eerste keer dat ik mijn bovenbuurvrouw hoorde schreeuwen dacht ik dat ze een indringer had betrapt die in haar kasten op zoek was naar haar waardeloze spullen. Tot ze ineens riep: dieper! Ik ken haar nog maar net, maar mijn bovenbuurvrouw is geloof ik niet het type bovenbuurvrouw dat schreeuwend aan een indringer vraagt om dieper in haar kasten te gaan zoeken.
Ik ben geen schreeuwer. Ik ben een zuchter. Ooit zuchtte ik eens zo veel dat ik begon te hyperventileren van mijn eigen geilheid. We moesten de vrijpartij pauzeren omdat ik even tien minuten in een zak in en uit moest ademen. Ik vulde de lege zak paprikachips met opgewonden lucht. Toen ik weer normaal kon ademen en we we wilden hervatten waar we aan begonnen waren, ging dat niet. Al mijn hitsigheid was blijven kleven aan de binnenkant van een chipszak.
De bovenbuurman hoorde ik nog nooit. Sinds gisteren weet ik hoe dat komt. Ik zette de vuilniszakken buiten en zag de vuilniszak van de bovenburen staan. Qua vuilniszakken buiten zetten zijn de bovenburen me steeds weer voor. Ik zag het helemaal bovenaan hun vuilnis zitten. Een lege zak verse spinazie. De bovenburen leven gezonder dan ik, maar in een lege zak verse spinazie kan je prima op adem komen.

take away

In de ontbijtzaak om de hoek vraag ik een koffie om mee te nemen. Ik hoef geen melk. Ik hoef geen suiker. Ik betaal, twee euro slechts, en neem de koffie mee naar een tafeltje in de hoek. Daar liggen de kranten. Er zitten nog drie andere mensen in de ontbijtzaak. Drie mannen. Zij drinken koffie uit echte tassen. Ze eten croissants, er liggen kruimels op de vloer. De mieren kunnen feesten straks. Het drietal kijkt kwaad. Ik lees de krant. De helft van de Vlamingen gebruikt nog pesticiden.

op het perron

Veertig minuten te vroeg sta ik op perron drie. Gisteren las ik in de regionale krant dat in Merelbeke een verdelgingsactie tegen de reuzenberenklauw aan de gang is omdat de plant inheemse soorten overwoekert en brandwonden kan veroorzaken. Ik heb nog drie sigaretten. Bij mijn ouders vroeger had ik een tuin maar daar stonden alleen maar struiken in.
Ik kijk op de rug van een man. Hij rookt als een Turk. Ineens zit de wind verkeerd. Hij draait zich om. Het is een Turk. Het regent.
In mijn huis staat een exotische plant. Hij overwoekert niets. Hij was gewoon de goedkoopste. De zon begint te schijnen en ik denk aan mijn plant. Hij voelt zich vast weer thuis.
Op perron vier stapt een jongen uit met losse veters en een bos bloemen. Hij valt niet. In de tuin van mijn ouders maakten we eens een regenboog met de tuinslang.
De trein rijdt het station binnen. Ik ben nog altijd bang dat ik hem zal missen.

winkelstraatgedicht

Ik liep net door een drukke winkelstraat. Mijn schoenen zijn kapot. Ik heb nieuwe schoenen nodig. Ik vind door een drukke winkelstraat lopen vreselijk omdat er veel mensen zijn en omdat ik er ongewild gedichten maak. Je hoort in een drukke winkelstraat slechts halve zinnen. Die hoef je alleen maar tot thuis te onthouden. Ik heb geen schoenen gevonden. Ik heb er ook geen gekocht. Ik passeerde wel veel volk.

volgende week ga ik naar
hier ben ik ontmaagd
alles is lelijk
en daarnet regende het nog
kalf
wat gaan we nu doen
het was Bruno
hij staat op ons te wachten

kaal

Het liefste wilde ik van nature kaal zijn. Af en toe vallen haren van me uit maar nooit genoeg om kaal te worden. Ik schiet op vele vlakken tekort. Ik heb mijn konijn achtergelaten. Voor tweehonderd euro verkocht ik mijn fiets aan een advocate. Er schiet nog vijf euro van over. Bij HEMA kan ik er een fietslicht mee kopen. Ik kan niet kiezen tussen rood en wit. Ik koop twee pakken hapjes met kaas in. Onderweg naar huis krijg ik een sms van de advocate. Ze schrijft: Ik ga dit weekend in de bossen fietsen. Terwijl de hapjes in de oven zitten scheer ik onder de douche mijn hoofd kaal. In de zetel steek ik twee kaashapjes in mijn mond. Ik sms de advocate terug dat ik de natuur overroepen vind en aai mijn kale hoofd.

posten

In mijn nieuwe vaste sigarettenwinkel koop ik twee postzegels en een koek. De vrouw achter de toog vraagt of ze de postzegels al op mijn brief mag kleven. Ik zeg dat het mag. Ik wil vriendelijk zijn voor mijn nieuwe buren. Zeker voor de buren die sigaretten, postzegels en koeken in huis hebben. Achter me staat een man met twee blikjes bier in zijn handen. In deze sigarettenwinkel kan je ook bier kopen. Hij roept naar de vrouw achter de toog dat hij morgen komt betalen en loopt naar buiten.
De vrouw achter de toog van mijn nieuwe vaste sigarettenwinkel vraagt waar ik mijn brieven post. Wanneer ik haar naar waarheid antwoord, schudt ze heftig met haar hoofd. Ze zegt dat de brievenbus waar ik mijn brieven in post door dronken mensen wordt gebruikt om in over te geven en hamburgers waar ze geen zin meer in hebben in weg te gooien. Ze tipt me een andere brievenbus. Daarna vraagt ze of ik ook haar brief daar wil posten. Ik zeg van wel. Qua vriendelijk zijn voor mijn nieuwe buren ben ik een echte volhouder. Ik vraag aan de vrouw of ik ook morgen mag betalen. Het mag niet.
Ik post mijn brief in de brievenbus waar niet in overgegeven wordt. Daarna loop ik naar de frituur, koop een hamburger, kauw de hamburger in mijn mond tot pap en wrijf de brief van de vrouw die mijn nieuwe vaste sigarettenwinkel uitbaat in met de pap. Ik post de brief in de brievenbus waar mijn eigen brief bijna in was terechtgekomen.

omgekeerd

Staand op mijn hoofd in de hoek van de woonkamer vraag ik me af of ik niet eens op zoek moet naar echt werk. Mijn hielen leunen tegen de muur. Ik heb geen zwaartepunt. Ik heb de muren nodig, ook al staan die vol plekken. Wanneer ik op mijn hoofd in de hoek van de woonkamer sta verdwijnen de plekken niet.
Elke dag zit ik in mijn huis. Af en toe praat ik in mijn telefoon of tegen de cactus. Van wat zij tegen me terugzeggen maak ik stukjes tekst. Af en toe spuug ik uit het raam. Af en toe ga ik op mijn hoofd staan. Af en toe probeer ik omgekeerd een kiwi te eten of een glas cava te drinken. Een paar flessen cava en een kiwi of vijf is wat ik verdien met praten en daar stukjes tekst van maken.
Ik sta op mijn hoofd. Ik sta omgekeerd. Ik wil echt werk. Ik wil staken. Biobananen.
Ik hoop dat dit stukje leesraab is. Ik schrijf het omgekeerd. Mijn hoofd begint te gloeien. Iemand gooit een radijs door mijn raam.

extra

Voorbij mijn huis lopen tieners met koffiekoeken. Eentje roept dat hij volgende week een rottweiler krijgt. De ramen in mijn nieuwe huis hebben enkel glas. Het is twee over tien. In mijn tijd begon de school om halfnegen, ik ging meestal tegen elven. Ik zat op een kunstschool. Verbrak je daar de regels, dan kreeg je extra punten. Ik studeerde af met grote onderscheiding. Daarna ging alles mis. Ik heb nooit een rottweiler gehad en geld voor een bed in mijn nieuwe huis heb ik ook niet. Van mijn ouders kon ik een bed lenen. Ik kon kiezen tussen de matras waarop ik werd verwekt of de matras waar mijn oma op sliep vlak voor ze doodging. Ik slaap op de grond. Ik eet een koffiekoek aan mijn tafel. Ik betaalde de koffiekoek met mijn bankkaart. Het kostte me dertig cent extra.

pakje

De postbode heeft lenzen gebracht. Ik zag al dagen niks meer. Nu zie ik weer. Ik bestel mijn zicht op internet. Wanneer ik ooit nog armer ben dan ik nu ben, zal ik eerst besparen op fruit, daarna op vuilzakken en pas daarna op internet. Ik doe mijn laptop open. Ik kan mijn e-mails weer lezen. Ik heb een e-mail van de postdienst. Vandaag wordt er een pakje geleverd.

ontwaken

Ik word wakker. Die gebeurtenis overkomt me dagelijks. Mijn ogen gaan niet open. Ik zie een kat met schapenvacht. Een opgedroogde dweil. Een blote neger in een rolstoel. Ik denk godverdomme. Daarna denk ik niets meer.